Koppelingen:
Vorig artikel: DIERBAERHEIT
Volgend artikel: DIERE II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

DIEREI

Woordsoort: bnw

Varianten: dier, duere, dure, duer, duyere

Modern lemma: dier, duur

(dier, duere, dure, duer, duyere), bnw. Mhd. tiur(e); mnd. dur(e); hd. theuer; eng. dear. Zie verder Weigand 2, 898; E. Müller 1, 318.
+1.  Kostbaar; gezegd van alles wat groote innerlijke waarde hecft.
+2.  Dierbaar, hooggeschat, gewaardeerd.
So (hermelijn) es waert ende diere, Nat. Bl. II, 1831, Holland, 1351-1375.
Ene ding, die sere es diere onder der heydene maniere, 879.

Al ne rekenmense (den huishond) niet so diere, acht men hem niet zoo hoog, VI, 310.
3.  Van personen. Uitstekend, voortreffelijk.
Beda …, die clerc was diere, Rijmb. 613, Vlaanderen, 1321.
Rabbaen, een diere clerc ende van uutnemender waerde, Sp. IV 1, 36, 43, Vlaanderen, 1301-1325.

Een duer clerck (Dares Phrygius), die veel las, Troyen 28, Nederrijn, 1470-1480.

Die coninc ontbieden dede .. goede meestre ende diere (eorum) genoech ende daertoe diere goutsmede, Flor. 891, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1360  (aldus te lezen; Tijdschr. 3, 193 vlgg.).
+4.  Schaarsch, in gering aantal voorhanden, zeldzaam; moeilijk te krijgen of te bereiken; vgl. de bet. 1, b), en dierbaar, Stat.-Bijb. I, Sam. 3, 1.
De leeftocht wart binnen diere, Vl. Rijmk. 6611, Vlaanderen, 1340-1420.
Eylande daar selver no gout es diere, Sp. I 1, 18, 11, Vlaanderen, 1301-1325.

Gheen dinc en was daer diere dan onghemac ende aermoede, Brand. 1734, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1360-1380.

Si vernamen die stad liggen vol soudeniere, dies waren die herbergen diere, Limb. V, 966, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Ic sie den hoep so putertiere ende die doget in hem so diere, Overzee 168, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1339.
+5.  Met den 2den nv. der zaak en een pers. als ondw. Duur met iets, niet scheutig met, zuinig op. Het tegenovergestelde van ondiere, goedkoop met, niet zijne waar op geld houdende, royaal, mild (z. ald.).
Al waerdi noch also fier ende so diere uwer tale, Eleg. 359, Holland, 1485-1490.
Ne weest uwer spraken niet te diere, sijt omoedich ende goedertiere, Parth. 1268, Vlaanderen, 1376-1400.