Koppelingen:
Vorig artikel: DOEMSEL
Volgend artikel: DOEN II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

DOENI

Woordsoort: ww(onreg., trans., intr., refl.)

Varianten: doon, duen

Modern lemma: doen

(doon, duen), onr. hulpww., en trans. intr. en wederk. ww. Mhd. tuon; mhd. dôn; hd. tûn; eng. do. Zie verder Kluge, Beiträge zur germ. conjugation 103ᶗ106, en de Wdbb. van Kluge, Franck, Weigand en E. Müller. — Vervoeging. Praes. ic doe, ic doeye (Ic seggu, dat ict niet en doeye (var. doe), Playerw. 288; vgl. de Mhd. vormen bij Lexer 2, 1576; nog heden hoort men in sommige dialecten doei; zie doeyen); ic doen (een enkele maal; nog heden gewoon doen ik, zien ik, en dgl.; mhd. ich tuon); du does, hi doet, of hi doeit (Flor. 2545 Hs.) enz.; conj. ic doe enz.; ic dowe (Vad. Mus. 2, 250); praet. ic dede, du dedes daets, deets; hi dede, of deet of deit, wi deden of daden, gi deet of daet, si deden of daden; conj. ic dede of dade enz.; deelw. gedaen of daen (Sp. IV 2, 25, 90; mnd. gedân en dân); praedicatief en toch verbogen komt gedaen, als de lezing juist is, voor, Ruusb. 5, 89: Gheestelike werken, die ewich bliven, die in gracien sijn ghedane, si in gratia facta sint); geb. wijs doe, doch, doech (vgl. Franck op Alex., bl. 466; Lsp. Gloss.; Lett. N. R. 71, 158, 12; L. v. J. c. 2, 42, 47, 115, 141, 152, 157, 208; Vad. Mus. 2, 445, 450, 441, 442; Brab. Y. I, 1568 (var. doet); Lanc. III, 19763; Con. Somm. 99a, 156b; 158a; Hild. 89, 65; Hs. 87 f. 86d (doch dat slijc van minen voeten ende besich die wonde; D. B. passim; Grimb. (var.) II, 6395 (segghet mi nu ende doeghet (doech het) my verstaen; tekst doet); Glor. 549 (doeghet mi te wetene, neve mijn), enz. Zie Taalk. Mag. 4, 691 vlg.; De Jager, Versch. 198; ch en w in de verschillende vormen zijn een overblijfsel van eene oorspr. j: zie vooral de vormen bij Lexer; werkelijk komt eene enkele maal doeyen (doien) voor voor doen, zie Sp. II 4, 62, 11; Alex. VII, 162 en Franck's Aant.; Cosijn in Taalk. Bijdr. 1, 98; Van Helten in Tijdschr. 3, 98; en Mar. v. N. 13, 308 (eer een jaer doeges mi verwijt).
+I.  Als hulpwerkwoord.
+II.  Als trans. werkwoord.