Koppelingen:
Vorig artikel: ETTE
Volgend artikel: ETTER
GTB Woordenboeken: WNT

ETTEN

Woordsoort: ww(zw., trans.)

Varianten: hetten

Modern lemma: etten

(hetten), zw. ww. tr. Ofri. etta; nfri. ettjen, eattjen; oostfri. etten; noordfri. etten; mnd. etten; mhd. atzen, etzen; hd. etzen; got. atjan. Eig. doen eten. Hetzelfde woord als ons etsen (van hd. etzen, d. i. doen uitbijten; zie Grimm, Wtb. 3, 1188); vervolgens doen afgrazen, afweiden. Vgl. Kil. 141; G. de Vries, Dijks- en Molenb. 13 en 244; Cod. Bat. 402 (etten ofte weiden van land). Nog heden in Westfriesland bekend (Bouman 26).
Doen afgrazen, afweiden.
Van zeedike te ettene mit beesten, Oorkb. 2, 341, 100.
Wie dat enighe zeedike et met paerden of met coeyen of met verckenen, ald.

Dat de ghemeente den dijck … etten, zaeyen noch maeyen sullen, anders dan (maar alleen gebruiken om) riedt te winnen, Handv. v. Enkh. 3, 52a (a. 1380), Holland, 1301-.

Soo sal men die zeedijck tusschen Enchuysen en Schardam niet etten dan met schapen, kalveren ende met gepende verckenen, 57b (a. 1401).

Dat men geen uyterdijck sal moeten etten noch tretten, zaeyen noch maeyen, Handv. v. Enkh. 1, 18a, Holland, 1299-1500  (tweemaal); zoo ook 15a; Wfri. Stadsr. 2, 264, 137; 266, 150; 307, 6 (met geenderhande beesten tetten (d. i. te etten) .. (up) dat kerckhof); 272, 186.

Dat niemen de veste en hette anders dan de ghene diese in pachte ghenomen hebben, Voorgeb. v. Gent 90 (a. 1365), Vlaanderen, 1337-1382.

Naer den tyt dat de meerschen verboden werden .. te (h)ettene, dat de meyere sine beesten mach doen gaen in de merschen, Gendsch Chtb. 88, Vlaanderen, 1821.