Koppelingen:
Vorig artikel: FOREEL
Volgend artikel: FOREESTER
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

FOREEST

Woordsoort: znw(o., ?v.)

Modern lemma: foreest

znw. o. (en vr.?). Van ofr. forest; fr. forêt; mlat. foresta (Duc. 3, 350 vlg.). Ook mhd. vorëst, forëst; daarnaast mhd. vorst, m; ohd. hd. forst. Zie over de verdere afleiding, die niet zeker is, Diez 1, 185; Weigand 1, 360; Grimm, Wtb. 41, 3; E. Müller 1, 463; Littré 2, 1728; Kluge 86. Ook is het niet zeker, of het hd. forst en het rom. forêt wel één zijn in oorsprong. De bet. van mnl. foreest is dezelfde als van mlat. terra forestica, d. i. terra dominiaria.
+Een onmiddellijk aan den vorst toebehoorend domeingoed, bepaaldelijk voor de jacht geschikt, met woud als hoofdbestanddeel, doch ook met vlak veld, water, weiland, enz., dus eigen jacht, jachtveld, jachtterrein, bij uitbr. eene landstreek waar weinig menschen wonen, wildernis, onherbergzaam oord, en eindelijk, omdat bosch een noodzakelijk attribuut van een foreest was, ook bosch, woud. Zie Huyd. op Stoke 1, 218 vlgg.; Clignett, Bijdr. 264; Duc. op foresta; Kausler, Vl. Rijmk. bl. 435. Dezelfde engere bet. van bosch, woud nam het fr. forêt aan, doch ook dit heeft in bepaalde uitdrukkingen nog de vroegere ruimere opvatting, b.v. in eaux et forêts (Littré 2, 1728). Vgl. de mlat. uitdr. foresta aquatica, waterforeest (Te Winkel, Gloss. op Torec en Mor.).
Dat wi den grave Diderike .. souden gheven een foreest, Stoke I, 415.
So was Vlaendren alremeest tien tide heide ende foreest ende mersche ende onlant, Sp. III 3, 89, 49, Vlaanderen, 1301-1325;  Brab. Y. II, 1357.

Dus quamen si … aen een foreest, daer die voghele hadden feest, Beatr. 328, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1364-1384.

Te bedrivene die foreeste, Sp. III 8, 89, 61, Vlaanderen, 1301-1325  (vgl. Brab. Y. II, 1371: te bevreden, te verwaerne die foreest).

Een foreest .., een wout, daer voghele in singhen, Wal. 1347, Vlaanderen, 1350.

Menich foreest ende menich wout reet hi duere, 2850, Vlaanderen, 1350.

Menich foreest (wildernis) ende menich ellende (vreemd land) reet hi duere ende menighe woestine, 4934, Vlaanderen, 1350.

In een schoon ander foreest, daer moghen wi wesen onghevreest seven jaer, Rein. I , 3151, Vlaanderen, 1401-1410.

Die wech was al meest wildernisse ende foreest, Lsp. II, 16, 75, Brabant, 1340-1360.

Jagen … binnen enen groten foreeste, Mor. 2958, Vlaanderen, 1301-1400.

Dat foreest staet optie (bij de) zee, 2978, Vlaanderen, 1301-1400;  vgl. 2976, 3067.

In een foreest met groenen grase op ene riviere, Vad. Mus. 2, 157, 2, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1390-1420.

Ic wille gaen dolen in dit foreest, Lansl. 347, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1400-1420.

O Cecilien, edel bogaert, edel foreest (boschland), edel rijc, ic moet bliven ewelijc, edel foreest, van di bastaert, Esm. 39, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1400-1420.

Hets een foreest … dat aldermeeste .. ende dwiltste ende lanc ende breet, Mor. 3124, Vlaanderen, 1301-1400.

Hi sach achter dien foreesten (l. foreeste) lopen alretiren beesten, 3751, Vlaanderen, 1301-1400  (vgl. 3743: wildernesse ende wout). Zie verder Parth. 6575; Torec 282; Maleg. 409; Vad. Mus. 1, 317, 18; Rijmb. 10523 (biden Effraymscen foreesten); Ferg. 41, 75, 688; Glor. 973; Lanc. IV, 4698 (ten foreestewaerd); Mor. 4235; Hild. 27, 17; Nat. Bl. II, 3049; III, 2942; Playerw. 136 (int foreest van Venus palen); Segh. 3579; Wal. 1549 (foreest ende dan), 1795, 10212; Esop. XLIX, 9; Vl. Rijmk. 14 (tlant .. vul van foreesten).