Koppelingen:
Vorig artikel: HOUTARE
Volgend artikel: HOUTBRIEL
GTB Woordenboeken: WNT

HOUTBREKERE

Woordsoort: znw(m.)

Varianten: hautbrekere, houtbreker

Modern lemma: houtbreker

(haut-, -breker), znw. m.
+Houtkooper of timmerman. In beide beteekenissen komt het woord voor bij Kil.: “faber lignarius materiarius, negotiator abietarius, abietarius.” De beide functiën werden door dezelfde personen uitgeoefend, evenals thans b.v. lakenkooper en kleedermaker. Het woord bet. hij die hout kleinmaakt, doch misschien ook hij die een bosch breekt of sloopt. Zoo zouden de beide opvattingen te verklaren zijn uit de verschillende beteekenissen van hout.
Dat gheen houtbrekere gheen hout houde licghende no staende te gheenre stede, dan binnen den sinen, up de boete van X , ende thout verbuert, Voorgeb. v. Gent 153, Vlaanderen, 1337-1382  (ook onder de namen der neringen, bl. 166, komen de houtbrekers voor).
Ter houtbrekers behoef, Rek. v. Gent 1, 32, Vlaanderen, 1336-1339.

J. ende A., hautbrekers, Diericx, Mém. 1, 438, Holland/Vlaanderen/Brabant.

Jeghens meester Clays den houtbreker ghecocht hondert paddeniste (?) die men an die baelgon (baelgen?) ende elwaer vorbesichde, Rek. v. Middelb. 60, Vlaanderen, 1364-1365.

Meester Clays den houtbreker betaelt van dat hi in verleden tiden in die sluus wrochten van der stede weghen, 68, Vlaanderen, 1364-1365.

Twee scipliede, twee smiede, twee houtbrekers ende twee backers, Gesch. v. Antw. 3, 540, Brabant, 1401-1500.