Koppelingen:
Vorig artikel: KIESELINC
Volgend artikel: KIESER, KIESERE
GTB Woordenboeken: WNT

KIESEN

Woordsoort: ww(st., trans.)

Modern lemma: kiezen

st. ww. trans. (coos (coor), coren (cosen), gecoren, in geld. oorkonden ook gecaren, b.v. Nijh. 2, 72). Mnd. kêsen, keisen; mhd. kiesen, küsen; ohd. chiosan; osa. kiosan; ags. ceósan; eng. choose; got. kiusan; onl. kiosan, kiesan; ofri. kiasa; hd. kiesen; ndl. kiezen. Vandaar ook fra. choisir. Zie verder over de verwanten buiten het Germ. de Wdbb. van Franck, Kluge, E. Müller enz.
+1.  De oorspronkelijke beteekenis smaken met de tong, welke in het Lat. en Gri. op den voorgrond is gekomen, en ook in het Mhd. niet geheel onbekend is (vgl. de bij Lexer aangehaalde uitdr. wîn kiesen, en het znw. wînkieser), is in het Mnl. niet meer aan te wijzen. Zij is gewijzigd tot die van smaken, met den geest ondervinden, vooral van onaangename gewaarwordingen, lijden, ondergaan. Zie Jonckbloet op Wal. dl. 2, bl. 202 vlg.; Grimm, Gramm. 4, 650; Mor. Gloss. In denzelfden zin als kiesen vindt men ook het verwante coren en becoren (z. ald.) en smaken (Wal. 8163). Men wachte zich, in uitdrukkingen als sijn ende kiesen, die (den) doot kiesen, aan het ww. de beteekenis te geven van ons kiezen, alsof de werking uit vrijen wil geschiedde; ook daar, waar van Christus gezegd wordt, dat hij “die doot, sijn cruce, die passie kieset”, beteekent dit al een, dat hij den lijdensbeker smaakte, den kruisdood onderging; het denkbeeld, dat hij den dood had kunnen ontgaan als hij had gewild, is er vreemd aan.
Dat min her Walewein verlore zijn lijf ende bi hem die doot core, Lanc. IV, 9499, Vlaanderen, 1301-1400.
Dattu dijn ongehiere leven met minen swerde moets verliesen ende vor min hant (op staanden voet, voor de hand) die doot kiesen, III, 21105, Vlaanderen, 1301-1400.

Dies moetstu kiesen nu ter stont die doot van minen handen hier, 19180, Vlaanderen, 1301-1400.

God vergheve jou alle sonden, die dor ons coos die bitter doot, Wal. 4064, Vlaanderen, 1350  (vs. 292: “God, die dor ons staerf ende om ons coret die bitter doot,” behoort bij coren).

Dat hi negheenen tijt verliese, daer hi de felle dood bi kiese, Amand I, 4174, Vlaanderen, 1430-1450.

Den doot moeste hij (Pepijn van Herstal) kiesen, alsmen screeff 714, Vad. Mus. 2, 439, 38, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Ic souder die doot omme kiesen, wort (werd het, nl. het kind) verslegen in den strijt, Limb. XII, 89, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360;  zoo ook Vad. Mus. 2, 44, 154; Heelu 6187; 6189; Lanc. III, 19042; Ned. Proza 78 (dat hi den doot liever kyesen ende aengaen soude dan enz.); Segh. 6867.

(Hi) hadde twijf liever te verliesene dan sijns soons doot te kiesene, Sp. I 5, 18, 45, Vlaanderen, 1301-1325.

Si worden segeloos ende menech daer sijn inde coos, Mor. 2583, Vlaanderen, 1301-1400.

Tweder was hem al te swaer, so dat hy waende deynde kiesen ende tlijf in die see verliesen, Troyen (hs.) 3422, Nederrijn, 1470-1480.

So groten rouwe noyt man coos, Segh. 5481.

Die daer grote smerte coos, .. dat was mijn her W., … hem worden sijn benen afgesleghen, Grimb. II, 6305, 1805-1815.

Grooten rouwe dat hy coos, dies hy moeder ende lant verloos, I, 299.

Ic bidde Gode, die sijn cruce coos, Esm. 786, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1400-1420.

Hoe God die passie door di coos, Lucid. 1273, Vlaanderen, 1401-1410.

Nochtan was haer meer die scande dan die scade die si coos, Lanc. II, 46254, Vlaanderen, 1301-1400.

Diegene die den arm verloos, door al die scade die hi coos, soo voer hi noch gesellen halen, Limb. V, 109, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360;  ook Lorr. II, 1016; 926; Limb. VI, 1944; Gelre, Wapenb. 10 (Belg. Mus. 5, 111).

Balduc ontsach hem te verliesene sijn lant ende tarechste te kiesene, Sp. IV 3, 12, 59, Vlaanderen, 1301-1325.

Ay sotte menscen, dat ghi kiest die bitter helle, dats uwe scout, Segh. 3696.

Gods vrienscap dat hi verboort ende sijn ziele hi verlieset ende die helle hiër mede kieset, Tien Pl. 2381, Brabant, 1390?-1410?.
+2.  Uit de bet. smaken, proeven ontwikkelt zich aan de eene zijde de opvatting keuren, onderzoeken, aan de andere na onderzoek vergelijken, aan het eene boven het andere de voorkeur geven, kiezen; de laatste is de thans in de germ. talen gewone beteekenis.
+3.  De beteekenis kiesen ondergaat enkele wijzigingen.
4.  Het verl. deelw. gecoren komt eene enkele maal voor in de bet. van gecoort, d. i. besloten, als keur vastgesteld, bepaald. Daar kiesen ook elders de bet. keuren heeft (vgl. 2, a), behoeft hierbij niet noodwendig aan verwarring van kiesen en coren gedacht te worden.
De maniere van den makene van der cappe van den thorre van Westcapelle, gheaviseert ende ghecoren den X sten dach in April 1409 bi meester L., C., J. ende J., temmerlieden enz., ZVl. Bijdr. 4, 319, Vlaanderen, 1409-1412.
Aanm.
Vad. Mus. 2, 403, 28, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410: “want du mi coost met dinen bloede”  , is coost eene verkeerde lezing voor loost, van loossen of losen, d. i. verlossen.