Koppelingen:
Vorig artikel: LOO I
Volgend artikel: LOODSE

LOOII

Woordsoort: znw(o.)

Varianten: lo

Modern lemma: looi

(lo), znw. o. Ohd. mhd. (lôwes); mnd. , lowe; ndl. looi, vr.; hd. lohe, vr.; ndl. looi (uit den mnl. vorm *looie (*louwe; vgl. V. Helten, bl. 102), die door Franck 589 wordt opgegeven, doch tot heden in het Mnl. niet gevonden is; de oudste vermelding is bij Kil.loye, louwe, Sicamb. Holl. j. tanne”). Over den oorsprong, die niet zeker is, zie de Wdbb.
Boomschors, boombast, vooral van eikeboomen, waarmede men leder bereidt, run, eek. Kil. loewe, loo, sicamb. j. tanne. Vgl. loën naast looien, loër naast looier, locupe (looikuip) en zie looyen.
Twige (tweemaal) des daghes wasche ik mit ekeneme lo, Geneesk. Handb. 32r., Noord-Oost Nederland, 1301-1350
Mit eken lo, 33r., Noord-Oost Nederland, 1301-1350