Koppelingen:
Vorig artikel: MAKELAERDINGE
Volgend artikel: MAKELARE II
GTB Woordenboeken: WNT

MAKELAREI

Woordsoort: znw(m.)

Varianten: makelere, makelaer, maeckelare

Modern lemma: makelaar

(maeckelare), -ere, -aer, znw. m. Hd. mäkler; mnd. mekeler, makeler. Van makelen; z. ald. en vgl. makelersse.
+1.  Tusschenpersoon, tusschenhandelaar. Kil. maeckelaer, proxeneta, mediator, pacarius, pararius, mediator in contractibus, sequester, interventor, transactor. Plant. makeler, courtier, facteur ou maquignon; makeler van peerden, maquignon de chevaux.
Corts daerna bi vrienden ende makelaers, die de grave van Hollant aenden hertoge maecte, so wert heer Otte vry wt gelaten (uit de gevangenis), Exc. Cron. 124d., Vlaanderen/Brabant, 1530
So warender ander makelaers tusschen beyden gaende, so dat daer een huwelic tusschen den coninc … wert ende die hertoginne, 261, Vlaanderen/Brabant, 1530  (men ziet hier uit de bet. tusschenpersoon zich die van bewerker van een huwelijk ontwikkelen).
2.  Uit de bet. iemand, die van beide partijen zijn voordeel trekt, schijnt zich die van afzetter te hebben ontwikkeld.
Ooc maect si (de gierigheid) menigen makelare, die beide heren ende vrouwen haer goet afsteken met ontrouwen, Rose 190, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325  (fra. c'est cele qui les trichéors fait).
+3.  Koppelaar, bevorderaar van huwelijken (zie eene plaats bij 1), vooral van ongeoorloofde of oneerbare verbintenissen; lat. leno.
In deser sonden horen al die lose makelaers ende coppelaers, Con. Som. 50a., Holland, 1484
Hi seynde haer boden ende minnebrieven, makelaren, begherende op hoor dat si hem weder lief woude hebben, Gest. R. c. 28, Holland, 1481.

Hoeren ende boeven, makelaers ende roffianen, in gulsicheyt ende oncuyscheit levende, ald. c. 142, Holland, 1481.

Ic warde selctijt een makelare ende make paixs (var. coop), ho soot geware (var. hoe soot vare); huwelic vergadert wel bi mi, Rose 10933, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325.