Koppelingen:
Vorig artikel: MARE IV
Volgend artikel: MARE VI
GTB Woordenboeken: WNT

MAREV

Woordsoort: znw(v.)

Varianten: maer

Modern lemma: maar

(maer), znw. vr. Een woord van den stam van ndl. meer, waarvan in sommige dialecten vr., in andere onz. vormen voorkomen. De bet. is in het alg. stilstaand water, doch de verschillende germ. dialecten hebben deze bet. op onderscheiden wijze toegepast. In het Mnd. heeft mare, in het ofri. mar, de bet. afvoerkanaal, gracht. Dezelfde bet. heeft nog heden een water te Leiden, de Mare, waarnaar eene gracht is genoemd; vgl. ook de samenstelling Marendorp en Maredijk ald., en de ofri. samenst. thorpemar, hofmar e. a. (Richth. 916). Deze bet. heeft het woord misschien bij Velth. in de hier volgende aanhalingen bij 1). Vgl. ook Weiland 3, 35, die gron. maar vermeldt in den zin van “breede sloot of wetering, waarin watermolens zich ontlasten”.
1.  Afvoerkanaal, gracht, wetering (?).
Het blever menich hondert (Franschen) gedubt ter langer mere in die beke, Velth. IV, 36, 16, Brabant, 1340-1360.
Dese bleven ter langer mare, IV, 36, 41, Brabant, 1340-1360.

Oostwerd op die lange mere, IV, 37, 2, Brabant, 1340-1360.
2.  De gewone bet. is die van plas van stilstaand water, meer, poel, moeras. Kil. (die maer, maere, mer ook (als Ger. Sax.) opgeeft in de bet. zee) maer, mer, Fris. Holl. Sicamb. stagnum, stagnum latius, lacus, et palus et piscina. Vgl. ook een rom. (fra.) mare in eene soortgelijke beteekenis bij marasc, en het woord in ndl. plaatsnamen, b.v. Alkmaar, Maerlant (naast Meerlant), e. a. Teuth. 166: maer, eyn stil water, lacus; 303: waide, mare, latus (l. lacus).
Datter vele inder mare (te Vroonen) verdronken, Stoke V, 999.
Een halve viertel op die mare, Hs. Egmont f. 11v., Holland, 1330-1350