Koppelingen:
Vorig artikel: MOEDER I
Volgend artikel: MOEDER III
GTB Woordenboeken: ONW, ONW, WNT

MOEDERII

Woordsoort: znw(v.)

Varianten: moder, moedre

Modern lemma: moeder

(moder, moedre), znw. vr. Een in alle germ. talen (behalve in het Gotisch, waarin het toevallig niet bewaard is) voorkomend woord, waarover men zie de Wdbb., ook over de verwanten buiten het Germaansch. Moeder is in het enkv. onverbuigbaar, doch nu en dan vindt men het woord beschouwd en verbogen als een ml. woord; zoo b.v. Sp. o. B. 3r, Holland, 1464: “zijns moeders ; Hs. Cyrill. 60v: “des moeders”; Pro Excol. 6, 687, Noord-Oost Nederland, 1633: “soo veer des vaders guet grooter ofte lutker is dan des moeders guet” , ook 686; Dingt. v. Delft 29. Vgl. V. Helten § 290 Opm.
+1.  Moeder, als thans. Teuth. moeder, mater, genitrix; moeder uwes mans off wijfs, socrus (vgl. ndl. mijn mans en mijn vrouws moeder; het woord schoonmoder wordt door het volk zelden gebruikt, en komt eerst in de 16de eeuw voor; zie Kil. die ook behoude-vader en behoudemoeder (behuwdmoeder) opgeeft. Voc. Cop. moeder, mater, genitrix; der moederslechten, matrizare; die sire moeder doodde, matricida; de moeder Gods, Maria.
Als vader unde moeder sterven, Pro Excol. 6, 687, Noord-Oost Nederland, 1633.
Doe hi van siere moeder was geboren, Lucid. 1636; ook 1651, Vlaanderen, 1401-1410.

Sijnre moeder gheslachte, 1647, Vlaanderen, 1401-1410.

In siere moeder lichame, 1633, Vlaanderen, 1401-1410.

Twe gebroedre, geboren van vader ende van moedren (l. moedre), Sev. Vroeden 2334, Vlaanderen/Brabant, 1351-1400.

Wat overdade .. hi dede siere (l. sinen) vader ende siere moeder, Limb. IV, 94, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Dat hi alle vriende vergat, sier moder ende sinen vader, daertoe sine maghe algader, Parth. 1227, Vlaanderen, 1376-1400.

Dat onse lieve Here sijn moder Sante Johannes beval, Kl. v. Diepenv. I , 49, Noord-Oost Nederland, 1534.

Ere dinen vader ende diere moeder (genitief van een vrouwelijken verwantschapsnaam, Stoett, Synt. § 19), Hs. v. 1348, 82c., Vlaanderen, 1348

Hi groete sire moeder ende sinen vader, Flor. 1056, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1360.

Si (de zoons) toochden haer littekijn bescreven, dat hi haer moederen had ghegheven, Segh. 7861.

Is Priamus niet dijn vader …; en is niet dijn moeder Hecuba? Rein. II , 5525, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

(Hi) wecte moeder ende vader ende die kindre alle gader, Rein. I , 1233, Vlaanderen, 1401-1410.

Moeder, hine hevet mi niet gedaen, Sev. Vroeden 2056; ook 1943; 2058; 2062, Vlaanderen/Brabant, 1351-1400.

Wellieve moeder, ic lovet al, 2000, Vlaanderen/Brabant, 1351-1400.

O lieve moeder, Esm. 636; 642, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1400-1420  (vandaar ndl. lievemoederen, “lieve moeder” zeggen).

Twi seldi soo saen begheven beide mi ende uwer moeder, Bloeml. 1, 143, 253, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1400-1420.

Dat vernoyde minen vader .. ende mire moeder, 167, 23.

Daer berret die moeder metten kinde .. sonder inde, 2, 26, 103; ook 105.

Den kinde en hulpt niet der moeder borst, 26, 118.

In dese stat waren si alle gader, dochter, moeder, sone, vader, 2, 29, 217.

Men hadde soo goeden meester vonden, daer nie moder ave genas, Lanc. II, 45342, Vlaanderen, 1301-1400.

Dat Echites die quaetste ware, die van moeder nie wert gheboren (die ooit het levenslicht had aanschouwd), Limb. IV, 102, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Dat hare rouwet dat soe geboren noit was van moedre, Rose fragm. L. 243, Vlaanderen, 1301?-1400?.

Alsoo doen die creaturen, als sy van moeder sijn gheboren entie werlt hebben vercoren, Hild. 97, 6, Holland, 1475-1485.

Nye en was van moeder live, diet hoor off conde ghewinnen, MLoep II, 2724, Holland, 1470-1490.

Hij was een die vroomste man, die ye van moeder live quam, 2939.

Soudi vermanen onser moeder goort (gordel; d. i. zoudt gij u op eene oneerbare wijze over onze moeder uitlaten?), Vad. Mus. 1, 88, 78, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410  (zie nog eene plaats waar dit verboden wordt bij gort).

Die den anderen op sin moeder wiest. Weert dat yemant den anderen wiesede op sin moeder off op een beest of desgelickes (zinspelingen maakte op oneerbare betrekkingen), die breke twee punt, O. Vaderl. R. 3, 359, 106, Noord-Oost Nederland, 1558  (vgl. eene dgl., vermoedelijk zinverwante, uitdr. aan sijn moeder besteden, bij Hermans, Bijdr. Gesch. v. Noord-Brab. 1, 78 (16de eeuw)).

By grooten anxste ende van grooter vriezen (vrees) soo wart so moeder van harer vrucht ende baersde eenen sone, Cron. v. Vlaend. 1, 2, Vlaanderen, 1460-1480.
2.  Eene enkele maal komt moeder voor in de bet. zwangere vrouw, en, als bnw. gebruikt, zwanger, bevrucht.
Doe (bij zijn dood) bleef sijn vrouwe de coninginne bevrucht met eender dochter, daer si moeder af was, Exc. Cron. 268d., Vlaanderen/Brabant, 1530
Dat daer sulke moederen mit alsulke vruchten vruchtbar (bevrucht) waren, Hs. 80, f. 22b., Holland, 1401-1410
+3.  Het wijfje van dieren dat jongen heeft geworpen, moederdier. Vgl. moederpert (in welken zin ook mnd. moder in gebruik is, Lübben 3, 106) en moederverken.
So neemt die moeder (de vrouwelijke walvisch) … waters vol haren widen mont ende ghiet op hare kinder …, so dat sise van den lande doet vloten, Nat. Bl. V, 220, Holland, 1351-1375.
Alse die calve (de jonge walvisschen) volghen der moeder, 217.

Sine jonge (van den pelikaan) en mogen niet leven, si en hebben thertebloet van der moeder diese voet, Bloeml. 1, 151, 68; ook 71, Vlaanderen, 1390-1410.

Si kennen der moeder diese (de patrijzen) wan biden lude ende volghen haer, 3, 3085.

Elc was lelic als Barlebaen, groot als haer moeder (de apin), Rein. II , 5168, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.
+4.  Moeder, gedacht als bestuurster eener huishouding. Zij die aan het hoofd eener inrichting staat, moeder. Vgl. ndl. moeder in een weeshuis, weesmoeder, binnenmoeder, buitenmoeder, linnenmoeder, naaimoeder; hd. bademutter, gastmutter, kindermutter. Vgl. Weiland 3, 124; Grimm 6, 2808 en mnl. marctmoeder. Zoo sprak men b.v. van “de moeder (of mater; z. ald. en vgl. nog Zijlkl. 188 en 296) in een klooster”, de moeder (of meestersse; z. ald.) van een bagijnhof”, en ongetwijfeld ook op dezelfde wijze als thans van allerlei betrekkingen, in liefdadigheidsgestichten, waar vrouwen of meisjes verpleegd werden. Kil. moeder van 'tklooster, antistita, sacerdos primaria.
De moeder van de swarte susters over den coop van IX ellen lijnwaet, by haer ghecocht, Ypriana 1, 173 (a. 1585), Vlaanderen, 1301-1500.
Die sijn mesdaet openbaerlijc belijet, hetsij in den reventer of in den capittel of ooc heymelijc sijn scout sprect teghen biechtvader of moeder of teghen suster, Aflaatbr. in Hs. Openb. v. Joh. 1, Bovenregionaal/Holland/Limburg, 1420-1440.
5.  Overdrachtelijk wordt moeder gebruikt in de bet. bron, oorsprong, grondoorzaak. Zoo ook mhd. (urheberin, anstifterin, Lexer 1, 2244). Vgl. ook Weiland 3, 124.
Vrouwe, moeder alre vroude, fonteine van onsen behoude, Sp. I 7, 67, 1, Vlaanderen, 1301-1325  (tot Maria).
Si (rijkdom) es moeder van allen sonden, Bloeml. 1, 155, 87, Vlaanderen, 1390-1410.

Maria, moeder der ghenaden, moeder der ontfarmicheit, Rijmb. 9, Vlaanderen, 1321.

Die coutheit is moeder der witticheit ende der bleecheit, Barth. 70b., Holland, 1485

Neerstichede … es moeder van allen goede, Bloeml. 2, 205, 57, Holland.

Hoet u mede van hovarden, want si es moeder der onwarden (geringschatting van anderen), 3, 33, 73.

Soo woudic … die oorden laten staen, die alre oorden moeder es (nl. de huwelijke staat), 3, 74, 131.

Moeder van den sonden, vrecheit, 1, 158, 45.

Moeder alre minnen, 3, 149, 25  (van Maria; vgl. mhd. “vrouwe Venus, ein muoter aller minne”, Lexer 2, 2244).
6.  Moeder, baarmoeder, moederlijf. Zoo ook mhd., mnd. en hd. Vgl. lat. matrix. Teuth. die moeder in der vrouwen, matrix; die moeder in der vrouwen licham, matrix. Kil. moeder, baermoeder, matrix, uterus. Plant. moeder oft draechmoeder der dieren, matrix.
Dat ruumt de moeder van aller vullichhede ende stremt dat witte, Hs. Serr. 14, bl. 62, Vlaanderen, 1435-1500.
Als de moeder rein is, so en heeft de vrauwe dwitte niet mee, ald., Vlaanderen, 1435-1500

Bi vervultheden van bloede int hooft of in die moeder van ere vrouwen, Hs. Yp. 62d., Vlaanderen, 1351

Wi behoeven een regement conserverende dye moeder ende den hals der selver moeder, Reg. 4b., Brabant, 1514

(Dan) worden de ventesen gestelt op die moeder ende op die dermen, 73a., Brabant, 1514

Inder vrouwen es de moer ende den hals der moeder, dye in den mans niet en sijn, 4a., Brabant, 1514

Of men die moeder stovet end baed in water daer camomilla in ghesoden is, Fragm. Zutf. 1r., Holland/Vlaanderen/Brabant, 1301-1400

Men seyt dat camomilla ducke ghedronken mit wine verdrijft tdoo (d. i. tdoode) kint utter moeder, ald., Holland/Vlaanderen/Brabant, 1301-1400

Die matrices, dat is die moederen die de vrouwen inden buke hebben, Barth. 70b; ook 84a; b., Holland, 1485

Een teve …, wes moeder inden buke langwerpelt is, 743b., Holland, 1485
7.  Benaming, vooral in samenstellingen, van sommige ziekten of ziekelijke verschijnselen, welke met moeder in de bet. 6), in verband staan. Vgl. Grimm 6, 2811: “das umkehren oder steigen der mutter veranlaszt die beschwerden der mutter (vgl. ald. mutterbeschwerde), welche auch schlechthin mutter genannt werden”. Vgl. ook hevemoeder, 2de Art., opzwelling of uitzetting der baarmoeder, en de aanhaling ald. uit Lübben en Diefenb., en Weiland 3, 123: “zij heeft de moer, zij heeft eene opstijging der moeder”. — Ook overgedragen op andere ziekelijke aandoeningen, ook bij mannen, ingewandsziekte, koliek. Vgl. hevemoeder en de aanh. uit Lübben ald. “contra colicam, que dicitur hevemoder”; Grimm 6, 2812 op mutter, 15) en de aanh. ald. Kil. moeder. moederwee, colicus dolor, coli intestini morbus, Teuth. beermoeder, hachtmoeder, buyckoevel, colica passio, diarria; hachtmoeder, colus; die die hachtmoeder heft, colicus. Hadr. Jun., Nomencl. 302 op colicus dolor: “tcolicompas, de moeder”.
8.  Moeder komt in enkele uitdrukkingen, in navolging van het Latijn, voor als benaming van het eene of andere vlies. Zoo wordt een der hersenvliezen bij Jan Yp. 38 e. e. genoemd (h)arde moeder, naar lat. dura mater.
Aanm.
In de beteekenis van heffe, bezinksel is moeder wel een ander woord dan het hier behandelde, doch er zijn er ook, die de identiteit van het woord in deze en de boven genoemde beteekenissen voorstaan. Zie moer, 4de Art. Zie ook Weiland 3, 123: “costelijcke wijnen, die op haere moeder uitgesuivert sijn”; “dat het met hem op een' verraderse moeder laage” (Hooft), en de in Weiland's tijd nog gebruikelijke uitdr.: “dat ligt op een kwade moer”, dat voorspelt niet veel goeds. Vgl. ook Grimm 6, 2812 op mutter, 17) en de ndd. uitdr.: “de wien ligt nog up de moder”, der wein ist noch nicht von den hefen abgezapfet.