Koppelingen:
Vorig artikel: NAMANINGE
Volgend artikel: NAME II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

NAMEI

Woordsoort: znw(m., v.)

Varianten: naem

Modern lemma: naam

(naem), znw. m. en vr. Mnd. name; mhd. name, nam; ohd. ohd. osa. namo; ags. nama; eng. name; hd. name, namen; ndl. naam. Zie over de verdere verwanten in en buiten het Germaansch de Wdbb.
+1.  Naam; lat. nomen, gri. ónoma. Voc. Cop. name, nomen; metten name, nonimatim. Teuth. name, nomen; ald. ook vorename, biname en toename. Kil. naem, nomen. Plant.naem oft name; naem des geslachts, eygen naem, yemandt met sijnen naem roepen; sonder naem, toenaem, bynaem, voornaem; gelycknamich, van gelijcke namen; eenich dinck naem geven; yemanden naem geven, noemen; sijnen naem leenen, sijnen naem veranderen; eenen naem aennemen; ergens van naem nemen”.
Victoria was haer name, Bloeml. 1, 154, 27, Vlaanderen, 1390-1410.
Al hietstu teerst Abram, du sult nu heeten Abraham …, dus langede God sine name dare, Rijmb. 1755, Vlaanderen, 1321  (var. sinen name).

Tullius Servilius, die bidi hevet die name ontfaen, Sp. I 2, 47, 34, Vlaanderen, 1301-1325  (var. den); ook Rijmb. 485.

Die namen van cruden, diere in sijn, sal ic u scriven in Latijn, Bloeml. 2, 37, 15.

Nu moeti minen name weten: Melior es die name mijn, Parth. 1093, Vlaanderen, 1376-1400.

Die coninc der Sarrasine …, Amirmanum was sine name, Sp. III 8, 74, 19, Vlaanderen, 1301-1325.

Kriekepitte, dat ghi hier noemt, … es een gheveinsde name, Rein. I , 2636, Vlaanderen, 1401-1410.

Drie hebreeusche namen: ic en condse ghespelden noch versamen, Rein. II , 5327, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

So wat scriften dat men visiert can ic lesen ghelijc mijn naem, 4044, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Uut den name des clercs … so worden bediet die proprieteiten des clercks, Matthijsz. 69, Vlaanderen/Holland, 1401-1500  (clericus nl. werd verklaard uit ad sortem Dei electus).

Dander naem is secretarius, ald. 70, Vlaanderen/Holland, 1401-1500.

Van muerewer minnen gaf hi hem die name des kints van Betleëm, Franc. 5661, Vlaanderen, 1320-1340.

Een swert … die si die name geven dede Anx-Verweren, Rose 13426, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325.

Hoe es u name? Sev. Blisc. 406, Brabant, 1401-1450.

Dor uwen sueten name, mijn lieve sone (tot Christus), nemt dies ware, 466, Brabant, 1401-1450.

Dies staet haer bi te harer noot door uwen gebenediden name, 748, Brabant, 1401-1450.

Gebenedijt es dinen name, 989, Brabant, 1401-1450.

My (een duivel) cremt de swaerden (l. swaerde) van vreesen, wanneer ic haren (Maria's) name hoor noemen, 1033, Brabant, 1401-1450.

Bi sire name hi gonen noomt ende hietene … up staen, 9324, Brabant, 1401-1450.

Of haer mesquame dat soe hoort sine name, Beest. 99, Vlaanderen, 1280-1300.

Alsi buten den castele quamen, vragede elc om sanders namen, Bloeml. 1, 104, 569, Vlaanderen, 1320-1325.

Si veranderden hare namen onder hem beiden, Couchy I, 72, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1390-1400.

Dat lantscep … hilt doude name noch an hem, Rijmb. 22984, Vlaanderen, 1321  (lat. nomen illud retinebat).

Soude ic liën miere namen, ic souts mi ewelike scamen, Eleg. 415, Holland, 1485-1490.

Als ic uwe name weet, 457, Holland, 1485-1490.

Eer ghi mi seght … wie ghi sijt ende uwen name, Parth. 2736, Vlaanderen, 1376-1400.

Jhesus Cristus … gaf van Akers der porten ene name, die was vermaledijt, Overzee 53, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1339  (vgl. Taalk. Bijdr. 2, 68 noot 2).

Men vinter vele die ontfaen der armer name, daer si mede hebben occusuen der vrechede, Sp. II 6, 18, 36, Vlaanderen/Brabant, 1390-1405  (lat. multis nomen pauperum oceasio est avaritie).

Constantijn (de paus) verboot dat sine name altoos in ghene brieve ne quame, Sp. III 8, 55, 93, Vlaanderen, 1301-1325.

Maria brachte hare sone, dat menne besniden soude ende sinen name openbaren in al die werelt, Ruusb. 5, 96, Holland, 1461.

Dat ic dede sceden mine apostele … ende in vele steden dede predecken … minen name al die werelt dure, Bloeml. 1, 102, 515, Vlaanderen, 1320-1325.

God swert bi siere groter namen, Rijmb. 16176, Vlaanderen, 1321.

Dye heer, dye … dinen name so groot ghemaect heeft, Pass. W. 104a., Holland, 1480

Vader, verclere dinen name, L. v. J. c. 188, Brabant/Limburg, 1301?-1310?.

Vader, mac dine name claer, Rijmb. 25203, Vlaanderen, 1321  (vgl. 25205: ic hebse ghemaect claer).

Dat men sal van miere (Gods) namen spreken onder al tfolc, 3939, Vlaanderen, 1321.

Got gaf, Got nam, gebenedit sie der name ons Heren, Limb. Serm. 103a., Limburg, 1391-1400

Bi namen wi voegen in ene wise (wij komen door onze namen goed overeen), Rincl. 9, Brabant, 1351-1400.
+2.  Name met een bnw. wordt gebruikt voor een persoon, vooral van de drie personen der Drieëenheid, en van Maria. Vgl. mhd. die namen drî, d. i. de drieëenheid, en bijbelplaatsen, als Ps. 20, 1: “protegat te nomen Dei Jacob”, en Deut. 28, 58: “timueris nomen ejus gloriosum et terribile, hoc est, Dominum Deum tuum”. Vgl. ook Grimm 7, 333, 5, en den nog heden in de Katholieke kerk gebruikelijken term de zoete naam Gods, een der vormen, waaronder aan de Godheid eer wordt bewezen.
Zalech si de lichame, die drouch Cristus, den soeten name, Sp. I 7, 58, 13, Vlaanderen, 1301-1325.
Maria, moeder soete name, Beatr. 205, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1364-1384.

Dies biddic der zoeter namen Mariën, die drouch de zaliche vrucht, OVl. Lied. e. G. 402, 184, Vlaanderen, 1340-1360.

Maria, soete, werde name, 49, 9, Vlaanderen, 1340-1360.
+3.  Naam, titel. Kil. naem, titulus. Voc. Cop. name, tytulus.
+4.  Naam, de roep waarin men staat of welke van iemand uitgaat, gerucht, faam, reputatie, roem. Herhaaldelijk met fame verbonden. Gloss. Bern. 82: van bosen name, infamis. Kil. naem ende faem, nomen, fama, decus. Teuth. van name, nominosus.
(Hi) denct dair om ist dach ist nacht, hoe hi sinen naem best vermynren mach, Sp. d. Leken 164v., Holland, 1451-1500
Se doet en hebben quaden name, Sp. d. Sonden 135c., 1401-1500

Dese sevene hadden name van goeden levene, Sp. I 7, 43, 47, Vlaanderen, 1301-1325.

Een philosophe van groter name, I 4, 31, 21.

Hens ridder in die werelt gheen, die name heeft jegen hem twee sleen, Bloeml. 1, 130, 185, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1360.

Diemen tonrechte ghevet name, het es recht dat hi hem scame, Sp. III 6, 12, 45, Vlaanderen, 1301-1325  (lat. qui falso predicantur, geroemd worden).

Op ertrike en es edelre niet dan een goet name si, Tien Pl. 1598, Brabant, 1390?-1410?.

Bider name vanden lande ontsien den here sine viande, Heim. 471, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1301-1350.

Dus verre ende wide sus vlooch haer fame, ende sus gebreid wart haer heileghe name, Christ. 1343, Bovenregionaal/Limburg, 1359-1386.

(Iets zeggen) dat een ander aen zijn lijff, naem, faem (aan zijne eer), off aen zijn goet ende bloot raicken mocht, R. v. Nederst. 1, 310, 300 (a. 1544), Holland, 1523-1544.

By der groote fame ende name die hy overal vercreech, Cron. v. Vlaend. 1, 3, Vlaanderen, 1460-1480.

Drye gueden conden, staende te gueder famen ende naemen, Limb. Wijsd. 85, 18, Limburg, 1501-1600.

Lichte persoonen van quader name ende fame, R. v. Utr. 2, 403.
+5.  Stemming, bepaaldelijk goede of aangename gezindheid of stemming. Vgl. mhd. “iuwern namen hân ich verlorn, ihr seid mir böse geworden (Lexer 2, 31).
Men torste ende loet ende vor (d. i. voer) daernaer te Kardolewaerd met blider namen, Torec 3488, Vlaanderen, 1301-1400.
6.  Inzicht, bedoeling. Eene soortgelijke beteekenis heeft lat. nomen, dat misschien het voorbeeld voor dit gebruik is geweest.
Ghelike dat tcoren comt int caf, so comt de ziele in den lichame: God die hem nature gaf, dat dedi als in sulker namen (vgl. lat. eo nomine), dat caf wel wachten soude tcoren, Praet 513, Vlaanderen, 1440-1460.
7.  Dynastie, vorstenhuis.
Hi geloofde sinen vader dat hi nemmermeer baert scheren soude voor dat hi Lothrijc of Brabant weder bracht had tot sinen eersten name, Exc. Cron. 105c, Vlaanderen/Brabant, 1530  (ook deze bet. schijnt te staan ondes den invloed van lat. nomen).
Aanm.
Matthijsz. 67, Vlaanderen/Holland, 1401-1500: “omdat ic verstaen had, dat ghi moghender ende milder wairt dan hy, so heb ic dit op die name van sinen hove ghedaen”  , moet name in bet. overeenkomen met maniere, doch het is niet zeker, dat dit woord in den tekst moet worden opgenomen; misschien is de bet. overeenkomstig den naam van het hof, op de wijze er van. Vgl. de Aanm. bij namelike. Misschien heeft name deze bet. wijze ook Sev. Blisc. 1382, Brabant, 1401-1450: “nu gawi voort in denselven name  (nl. om Maria te begraven; òf is de bet. eveneens in den naam van God? doch de uitdr. “in Gods name” gaat niet vooraf). Wellicht heeft de uitdr. “op die name van” eene bet. gehad, die met die van ons op de wijze van te vergelijken is.
—  Ook in de bet. naam in tegenstelling met daad, werkelijkheid zal het woord in het Mnl. wel bekend zijn geweest.