Koppelingen:
Vorig artikel: NODICHEIT
Volgend artikel: NODINGE
GTB Woordenboeken: WNT

NODIGEN

Woordsoort: ww(zw., trans.)

Varianten: noidigen

Modern lemma: nodigen

(noid-), zw. ww. trans. Mhd. notegen, notigen; mnd. nodigen; hd. nötigen; ndl. noodigen. Vgl. noden.
Noodzaken, dwingen; eig. iemand geweld aandoen, hem in het nauw brengen. Teuth. indrijven, dwyngen, noodighen, impellere; umbdoen, noodigen, sculdigen, bedriegen, circumvenire; verdrucken, benauwen, noodigen enz., comprimere, artare, opprimere, angustiare. Plant. noodigen, benoodigen, oppresser, contraindre, cogere, necessitatem adhibere vel afferre, angere, fatigare, solicitare; noodiginge, oppression, contraincte, angariatio, solicitatio. Kil. noodighen, cogere, necessitate urgere, angere.
Eyn werping off schade der scheepluyde, als sy genoidycht oor guet aver boirt werpen, jactura, Teuth.2 495, Nederrijn, 1477.
Alsdan zullewij .. genoidicht ende bedwongen werden, zulken rait .... dairop te hebben, Hist. Gen. 9, 110 (a. 1477), Holland, 1476-1503.

So moste hie gewalt an den heren unde lande begaen, waerdoor dan die heer … thor noodtwer genoodiget unde gedrungen worde, Winhoff, Landr. v. Averissel 90.
Aanm.
De tegenwoordige opvatting van noodigen, nl. uitnoodigen, lat. invitare, welke oorspronkelijk aan nooden eigen was, is voor het Mnd. opgeteekend uit het Biënboec (Lübben 3, 194) en zal dus ook in het Mnl., althans in de oostelijke dialecten, wel bekend zijn geweest. In de woordenboeken komt het woord zoo vroeg niet voor. Bij Binnaert vindt men slechts noodigen, praemen, dwingen; eerst Halma geeft “nooden, beter noodigen, verzoeken, inviter, convier, prier”. Vgl. ook bij hem noodiger en noodiging, in de hedendaagsche beteekenis, De Jager, Freq. 2, 1069 vlg. en het te Leiden bekende noodiger ter begrafenis, d. i. bidder, aanspreker.