Koppelingen:
Vorig artikel: OOI I
Volgend artikel: OOY
GTB Woordenboeken: ONW

OOIII

Woordsoort: znw(v.)

Varianten: ooye, oye, hoye

Modern lemma: ooi

(ooye, oye, hoye), znw. vr. Mnd. ô. Dialectische bijvorm van ouwe (in landouw), hd. aue; geld. ooi. Vgl. Franck op ei (land); Van Helten in Tijdschr. 14, 28.
Eiland door eene rivier gemaakt, uiterwaard, weiden in de nabijheid eener rivier. Vgl. Ammersooi in Gelderland, ooien in Noord-Brabant; den geslachtsnaam “Schimmelpenninck van der Oye” (vgl. Rek. d. Cam. 32, 23: Dyric van der Oye) en Nom. Geogr. 2, 103 vlg., 139. Waarschijnlijk is dit woord bedoeld op de volgende plaatsen.
Van den werke dat hij wrochte buten der oyen ende vor de hoyporte, Rek. v. Gent 2, 76, Vlaanderen, 1340-1345.
Al onse mersch, die wi hebben tusschen bacht der kerken en der hoyen van Oedonc, Vad. Mus. 3, 432 (a. 1274), Vlaanderen, 1274-1297.