Koppelingen:
Vorig artikel: ORSTRIJT
Volgend artikel: ORT II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

ORTI

Woordsoort: znw(m., o.)

Varianten: oort, oirt, ord, hort, noort

Modern lemma: oord

(oort, oirt, ord, ook hort en noort), znw. m. en o. Mhd. ohd. hd. mnd. ort; osa. ags. meng. ord; onr. oddr; ndl. oord (Ndl. Wdb. 11, 67). In het Got. zou het woord luiden uzd. (o.) of uzds (ml.); zie Kluge op ort en Ndl. Wdb. op oord. Voor den vorm noort, die uit misverstand ontstaan is (d n is eigenlijk een deel van het aan oort voorafgaande lidwoord), vergelijke men narm, dial, nijdas (voor *ijdas, eig. eidas, hagedis, hd. eidechse, noom, hd. nachen en Van Helten, Mnl. Spraakk. bl. 205; Te Winkel, Gramm. Fig. 47; Mnl. Wdb. 4, 2045. Zoo ook is de naam der gemeente Noorden in Zuid-Holland ontstaan uit (de)n oorden; vgl. R. v. Utr. 1, 186, 16, Holland, 1390-1400: “die vanden Oorde, van Nywencoop, van Nywenveen ende van Zevenhooven” .
+1.  Het uiterste punt of het uiteinde van iets, kant, rand. Kil. oort, ora, extremitas, extremum. Plant. dat oort van een yegelick dinck, la fin de chascune chose, ora, extremitas, extremum, primores. Vgl. hoec en egge, waarmede ort verschillende punten van overeenkomst heeft. Nu en dan is deze opvatting niet gemakkelijk te onderkennen van die van hoek, vermeld onder 5), waardoor ook hoekpunt kan worden verstaan.
Eynen grooten platten steyn, liggende in die selve straeten opten oorde van den vleyshouwers dryess aen den grave, Publ. Limb. 19, 433, Limburg, 1528.
Opt oort buyten aenden graeff oft opt oort aen tlant tusschen dat keersboomken ende dat oort van der heggen desselven bampts nae Triecht waert, 434.

Van den oort van den Maeghden dries, 418.

An den scilt sin drie orde (punten of ook hoeken) ..; en ort dat sin enz.; dander ort es enz.; terde es enz.; alse der mensce dese drie ort (mv.) heft enz., Limb. Serm. 5a., Limburg, 1391-1400
+2.  Nauw verwant hiermede is de opvatting uiterste, de uiterste grens van hetgeen iemand verdragen kan.
Mids der dierte … si grootelic thenden, toorden waren; doe ne was daer gheen langher sparen; si moesten vechten of bliven doot, Vl. Rijmk. 9649, Vlaanderen, 1340-1420.
+3.  Bepaaldelijk de spits of punt, het scherp van inz. een wapen. In deze bet. is het woord bekend in alle ogerm. tongvallen (vgl. Ndl. Wdb. op oort, 1; Molema 307a). Kil. oort, mucro, cuspis, Vgl. ortiser. Herinneringen daaraan leven nog heden in Ndl. tongvallen (Ndl. Wdb. t. a. p.).
So wie enighe wapen draghet, daer die oort off gaen mach duer dat yser dat hangt voir traethuys …, verbuert III lb., O. K. v. Rott. 14, 14, Holland, 1408-1414.
Sijn swaert heefti verheven …; die slach ooc so groot was, dat dort scampelde in sine side, ende maecte ene wonde wide in den halsberch, Lorr. II, 4329.

Dat oort van goeder snede sette hi … op sijn herten ende viel daer inne, Pyr. en Th. 323, Vlaanderen, 1401-1450.

So gheraectine metten orde vanden spere, Wal. 2166, Vlaanderen, 1350.

Hi greep den scacht … ende keerde den ort ter scuere waert, 401, Vlaanderen, 1350.

Walewein nam tswert met den oorde, Lanc. II, 41555; ook 42224, Vlaanderen, 1301-1400.

U doot leget in mins speren ord, III, 16179, Vlaanderen, 1301-1400.

Nochtan ginc doort van den sweerde dor helm, dor coifie, 13824, Vlaanderen, 1301-1400.

Dat hijt metten oorde van den sweerde soude weren, Brab. Y. II, 704, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1460-1480.

Diene onsoete ontfinc met des spers orde, Limb. XII, 302, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Doen si quamen toten orden vanden swerden (= ten swerden vingen), Heelu 7524, Brabant, 1430-1450.

Daerna so sette hi vier swerde op die viere hornecke, die horde opwerde (naar boven), Cass. 386, Brabant.

Dat men hersenbecken wont .., metten orde van den swerde, Hs. Yp. 113a, Vlaanderen, 1351  (vgl. ald. metten hoeke (den scherpen kant) van den swerde; deze beteekenis, op een wapen toegepast, is niet vermeld bij hoec; vgl. ook egge, waarmede ort in de bet. “het scherp, de spits” in het Mnd. gewoonlijk verbonden wordt; vgl. de uitdr. “van egge torde” bij 1).

(Hi) nam tswert bi den orde in de hant, Parth. fr 186, Vlaanderen, 1340?-1360?.

Een zwaert van goeden oirde, MLoop II, 1059, Holland, 1470-1490  (= van goeden (goeder) snede; vgl. boven bij 1) de uitdr. ter oorden = mnl. te poente (indien deze niet anders te verklaren is) en ndl. ter snede).

Waer daer iemen dies begaerde, ic daet hem loghenen metten swaerde oft metten orde van minen spere, Eleg. 1147, Holland, 1485-1490.

Ich keerde den oort (van het zwaard) te mij waert, Vaderb. 206c., Limburg, 1470

Patroclus die stac Hectore door sinen scilt een starcke score, so datter toort door ghinc ende in synen scilde hinck, Troyen dl. 1, vs. 9787, Nederrijn, 1470-1480.

Daer en was niemandt die begheerde dat oort van haren sweerden (l. sweerde) te proeven op des anders hooft, vs. 12064.

Vresen sloech hi metten orde metten (var. vanden) swerde, Rose var. B. 13476, Vlaanderen/Brabant, 1351-1400  (t. metten worde; ook elders wisselen ort en wort in varianten met elkander af: de verwarring is in de hand gewerkt door het feit dat in het Wvlaamsch woord als “oord” wordt uitgesproken; misschien ook is eene enkele maal (zie beneden bij 7) met (o)ort in werkelijkheid w(o)ort bedoeld).

Die sterre die ten oorde van sinen zweerde (van Orion) staet, Hs. v. 1360, 3a., Holland, 1470-1490

Een stalijn bant … van den orde (van de lans) toter hant, Wal. 7245, Vlaanderen, 1350.

Soo en sel hy voortaan gheen mess dragen moogen dan een brootjong (?) sonder oort, Gild. v. Utr. 2, 472 (a. 1522).

Eenen groeten metten orde van sinen spere, Lorr. II, 446.

Enen sijns speren oord bieden, Lanc. III, 16577, Vlaanderen, 1301-1400;  Grimb. I, 4275.

Enen dat ort van sinen spere lenen (= bieden), Limb. XII, 624, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Enen sijns swerts ort lenen, 357, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360  (aangevuld met de variant).

Dat hise thant ghewout (l. ghewont) hadde in swerts oort, Heelu 3132, Brabant, 1430-1450  (vgl. bij mont de uitdr. “des swerts mont”, waar ook in voorkomt, terwijl men met zou verwachten; vgl. Josua 10, 30 en 32: “in ore gladii”; misschien is deze bijbelsche uitdrukking van invloed geweest op die van Heelu).

Sertogen viande seiden …, datsi die spise moesten vercopen sonder gelt in tswerts oort, quamen si over Mase, Heelu 2142, Brabant, 1430-1450.

Soo heeft die hertoge van Brabant hem verwert in tswerts oort ende sege behouden, 6280, Brabant, 1430-1450.

Daer bi bleven si int oort vanden swerde al meest verslagen, ald.  aangeh. op vs. 3133. Vgl. ook scarpordich (oordich), met eene scherpe punt (Belg. Mus. 1, 250) en drihordich (Harl. Gloss.), tricuspis.

— Item neemt een luttel balsamen aen dien noort van enen messe ende steket aen tfier, Mandev. 13a., Holland, 1401-1450
4.  De beteekenis begin, welke boven bij 1) hier en daar doorschemerde, en ook in het Mnd. (waarschijnlijk; vgl. de uitdr. van orde to ende, waarin ort evenwel ook “het ééne eindpunt” beteekenen kan) en Mhd. en Ohd. (Grimm. Wtb. 7, 1152) en het Ags. (Ndl. Wdb. op oord, IV) aan het woord eigen is, komt duidelijk uit op de volgende plaats. Doch de opvatting “eindpunt” heeft zich in de Duitsche talen veel sterker ontwikkeld.
Ene levende vruchtbare enicheit, die een oort ende een beghin is alles levens Ruusbr. 6, 259, Holland, 1461.
+5.  Hoek, de ruimte binnen een hoek. Vgl. bij 1), waar ort ook de beteekenis kon hebben van hoekpunt. Teuth. dat vier eggen, oirden, horinken (l. horniken?), kanten of hoycken hevet, quadrangulus; cant, oirt, hoyck, hornyck, wynkel, angulus, cornu; des seyls twe repe beneden, an ylker oirt eyn, pes, propes. Zoo ook reeds in het Ohd. Vgl. Ndl. Wdb. op oord, V.
Legghe dat boec weder op den anderen oort des altaers, Bienb. 39a., Holland, 1488
Aen elcke syde van de twee oorten (juister ware oorden) van den gracht, Publ. Limb. 19, 419, Limburg, 1549-1572.

Dat (dat de tempel) was gecirt met guldenen cronen ende met guldenen scilden, ende waren ane die orde des tempels ombehange opgeslagen met guldenen vingeren, Limb. Serm. 4c., Limburg, 1391-1400
+6.  Bepaaldelijk, evenals hoec en egge, toegepast op land.
Corcica … een eylant, ende heeft menegen ort (misschien zijn hier vooral bedoeld de aan zee gelegen of in de zee uitstekende gedeelten; vgl. Ndl. Wdb. op oord, VI) vul van wilden (l. weiden), Sp. I 1, 33, 47, Vlaanderen, 1301-1325  (lat. gignens letissima pabula).
+7.  Eene bijzondere toepassing van de bet. stuk, deel is die van het vierde deel van iets, vooral van maten, gewichten, munten. Zoo ook mhd. en mnd. Teuth. vijrdeel, quartier, quarta pars; vijrdeel of en ort guldens, of wijns of anders, quartale, quartallum. Het eerst zou zich deze beteekenis ontwikkeld hebben bij de vierhoekige munten, die door een kruis in vier orde of “stukken, hoeken, deelen” werden verdeeld (Lexer, Kluge, Ndl. Wdb.). Het mnl. ort komt hier in beteekenis overeen met ndl. kwartier. Vgl. bij 6), waar oord vertaald wordt met fra. quartier, en ndl. kwartier, d. i. verblijfplaats, woonplaats (vgl. bij 6° de uitdr. die ewige ort, de hemel). Naast “een ort van enen gulden” (zie beneden) vindt men ook “een quartier van enen gulden” (Keurb. v. Haarl. 87). Voor een vierde deel van eene maat is in sommige streken van ons land oord nog bekend, en in andere, b. v. te Leiden, wordt kwartier en kwartiertje gebruikt als benaming eener inhoudsmaat voor droge waren. Ook van tijd worden beide kwartier en ort gebruikt, hoewel niet in dezelfde beteekenis.
8.  De bet. punt heeft zich ontwikkeld tot die van tijdpunt, tijdstip, bepaaldelijk een punt des tijds, een oogenblik. Zoo nog heden in wvla. tongvallen (Ndl. Wdb. 11, 82, D).
Elke ure die es voort ghedeilt op soo corten oort, dat elc cume heeft bevaen vander ooghen een opslaen, Lsp. II, 54, 79, Brabant, 1340-1360.