Koppelingen:
Vorig artikel: OVERVOETSEL, OVERVOETSELE
Volgend artikel: OVERVOICHT
GTB Woordenboeken: WNT

OVERVOGET

Woordsoort: znw(m.)

Varianten: overvoocht, overvoicht

Modern lemma: overvoogd

(-voocht, -voicht), znw. m. Hetzelfde als oppervoget; z. ald.
Oppervoogd, de drager van het openbaar gezag, die het toezicht heeft op de voogdij.
Die gheboren voocht is sculdich te toonen den overvoocht, dats die bayliu van tsheren weghe, der weesen last, Matthijsz. 119, Vlaanderen/Holland, 1401-1500.
So die rechter een overvoocht der weesen is van tsheren weghen, dat hy sculdich is die baninghe te bedinghen, 181, Vlaanderen/Holland, 1401-1500.

Sijn voocht of die bayliu voir hem van sheren weghen als een overvoocht der weezen, 104, Vlaanderen/Holland, 1401-1500.

J. van der Boechorst, als een overvoicht van synen weeskinderen, is zijn dingtail jegens … zynen vader, dat hy A. mit recht heeft doen dagen … om … bewisinge te hebben van die handelinge ende hantieringe, die A. zeder den overlydene van J.'s huysvrouwe … van zyne weeskinderen wegen gehadt mach hebben, R. v. Leiden 302, 409, Holland, 1434-1542.

Bij wille ende consente den raide van der stede, als overvoichden van der vorscr. Lijsbeth, ende oick van horen naesten magen uyt horen vier vierendeelen, Zijlkl. 212 (a. 1479), Holland.

Die burgermeisteren der stede van Alcmaer als overvoochden, 241 (a. 1482).

Voghede moeten eene warven tsjaers rekenen van den voghediën vor scepenen ende dat wel ende wettelike te leedene bi der wet die overvoghet es, Cout. v. Gent 475, 1301-1539.