Koppelingen:
Vorig artikel: PARISIJS
Volgend artikel: PARCAMENT
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

PARC

Woordsoort: znw(o., %v., %m.)

Varianten: paerc, perc, parric, perric

Modern lemma: park

(paerc, perc, parric, perric), znw. o., eene enkele maal ook m. en vr. Mnd. perk, m. en o.; mhd. pferrich, m.; ohd. pferrih, pfarrih; hd. pferch, m. en park, m.; ags. pearroc; eng. park: ndl. park en perk; mlat. parcus, parricus. De oorsprong van het woord staat niet vast; zie daarover de etym. wdbb. van Kluge en Franck. De oorspronkelijke beteekenis schijnt te zijn eene “omheining, omtuining of afgesloten ruimte voor bewaring van vee” (vgl. fra. parc à moutons, schapenschot); deze komt nog eene enkele maal in het Mnl. uit en eene herinnering er aan leeft voort in de aan fra. parc eigene en bij Plant. vermelde bet. “diergaarde”. De bepaalde beteekenis “hof, lusthof”, welke eigen is aan ndl. park (dat nu van perk in beteekenis verschilt), heeft zich waarschijnlijk, evenals bij hd. en eng. park, ontwikkeld onder den invloed van fra. parc; ook deze is reeds eene enkele maal eigen aan het mnl. woord. Misschien is mnl. parrike (perrike, perreke), dat eene enkele maal voorkomt in de bet. parochie, met dit woord verwant: de oorspronkelijke bet. zou geweest kunnen zijn eene “afdeeling, een bepaald of begrensd kerkelijk gebied”. Vgl. mhd. hd. pfarre, ohd. pfarra; mnd. parre (zie Kluge op pfarre, die voor dit woord althans verwantschap met hd. pferch mogelijk acht). Een steun voor deze onderstelling geeft mnd. parchkerke, dat bij Lübben naast parrekerke (parkerke, perkerke) vermeld wordt (vgl. parrike, parhere, parrekerke, parrehuus en parreman), alsmede het feit, dat er ook een znw. parre in de bet. van parc schijnt voor te komen. Zie parre.
+1.  Omheining, omtuining; besloten, afgeperkte ruimte, oorspronkelijk voor het bewaren van vee, doch gewoonlijk iedere afgezette, omheinde of besloten ruimte die aan het algemeen gebruik wordt onttrokken. Gemma 185r: een omghetuynde stal intvelt, locus circum clausus ut stabulum pecudum, etiam een parck. Teuth. parc, kreytz, parcus, circulus; eyn ront umbloip off krynck off parck off tzingel, gyrus. Plant. perck, un parc, closture de hayes etc., septum, clausum. Kil. parck, septum, locus septus, circus, circulus (zie beneden Sp. III 6, 55, 61, waar paerc ter vertaling van lat. circulus dient), locus conclusus, clausum; perck, j. parck, septum, circus.
Alle de lede (van het woeste paard) sijn bedwonghen metten breidele …, al eest starc, dat ment stille hout in een (Brill, Stoke, dl. 2, bl. 294) parc, Stoke IX, 727.
Dat nyemant gheenrehande jucken (planken) nochte perriken (houtparken of in het algemeen staketsels waardoor het verkeer belemmerd wordt) hebben nochte houden en zullen opte grafte tusschen der Gaerdbrugghe ende der Regulierbrugghe, ende dattet daer altoos ruym bliven zel die weecmarcte te houden, R. v. Utr. 1, 190, 24, Holland, 1390-1400.

Men sel ghene parricke maken binnen der stat opte graft bi enen ponde, 1, 24, 40.

Si waren recht als in een parc van den Zarrasinen ommeghedaen (bij gissing aangevuld), Madelg.-fr. 55, 99, Vlaanderen/Holland, 1351-1400.

Achter den stoel ende den rugghe van den prince .... so is de sale gesloten met enen grooten parreke al geberdert ende gesloten met bancken ende bailliën, Matth. Anal. 1, 242, Vlaanderen, 1501-1600.

Voor de bailli (balie) sijn bancken rondsomme voor den paercke, daer sitten de ridders, camerlingen enz., ald. 243.

(Er) stont in die middewarde ene viercante plaetse die beide breet was ende wijt, ende daertoe was beloken dat parc met groten zwaren stenen, Lanc. II, 4410, Vlaanderen, 1301-1400.

Dat si vernamen enen cleinen broec …, dat inden middel van bosscen stoet, ende te midtwege in dat parc stont een hoge tor. … ende was besloten beide met grachten ende met muren, 2448, Vlaanderen, 1301-1400.

Voor thuus was ghemaect een parc, Ann. Em. 14, 107 (a. 1488), Vlaanderen/Brabant/Limburg, 1488.

(Si) hebben de pijnbanc ende de vors. ghevanghene .... gheleit ende ghedreghen openbaerlic up de marct int parc, 13, 104 (a. 1488).

Daer commende zag ic tparc (het afgezette deel) van der marct zeer bestaen van volcke ende tscavot twelke daer by staet ooc vol volcxs …; voort … zo nam de capitain de standaert ende gaf dien enen man omme te draghene int vors. parc, 117; ook 118; 138.

Dien vinc Totyla … ende dedene in enen paerke staen dat hi nieuweren conste ontgaen, Sp. III 6, 55, 36, Vlaanderen, 1301-1325  (lat. ei in terra circulum designaverunt ultra quem pedem tendere non auderet).

Tfundament ende al sijn werck … comt hem dan (bij den dood) te crancken vromen: men leit hem in enen nauwen perck (eene enge doodkist), Hild. 130, 205, Holland, 1475-1485.

Si (de hoenders) ghinghen in een scone paerc, dat was beloken in ere mure, Rein. I , 333, Vlaanderen, 1401-1410  (vgl. ndl. hoenderpark).

Si ghinghen in enen parric met eenre muer ombeloken, daer binnen stont een vaste schuere daer in hoorden sess groter honden, Proza-Rein.2 12, Holland/Vlaanderen, 1479  (Rein. II , 362: in een perc).
+2.  Ook in verschillende meer bepaalde opvattingen.
+3.  Ook van kleinere afgeperkte of afgezette ruimten wordt parc gebruikt.
+4.  Eene bepaalde ruimte of plaats, met meer of minder duidelijk aanwezige maar niet opzettelijk aangebrachte grenzen.
Dit selve paerck of dal (daer dyamanten wassen in eene valeye) doet de keyser zonderlinghe bewaren, Boëth. 291d.
+5.  Afdeeling, een bepaald bij eene zaak te onderscheiden gedeelte. — Ook van de eigenaardigheden van een persoon, en van het wezen der godheid.
Hi (God) ne es niet ghedeelt in perke …, maer gheheel, Wap. M. III, 86.