Koppelingen:
Vorig artikel: RAEWER
Volgend artikel: RAEX II
GTB Woordenboeken: WNT

RAEXI

Woordsoort: znw(m.)

Varianten: raecks, raecse

Modern lemma: raaks, reeks

(raecks, raecse), znw. m. Ketting. Vgl. raeche. De beteekenis staat vast, maar de oorsprong is niet zeker. Waarschijnlijk is het woord alleen in uitgang verschillende van ags. racente, racete, racentēah (Clarc Hall 245); oeng. rakente (Strattmann 395), die alle de beteekenis “keten, ketting” hebben; vgl. ook ondd. hrakinza (rakinza), halsboei (Gallée, Andd. Wtb. 148). Misschien is het een dial. bijvorm van raex, ndl. reeks, althans in sommige beteekenissen; zoo b. v. in de samenstelling sleutelreeks, sleutelbos, waarnaast ook in de 17de eeuw sleutelraaks voorkwam (Oudem. 6, 321). Doch ook de andere opvattingen kunnen wel uit de bet. “keten, snoer” worden verklaard. Zie verder Franck op reeks. Het woord is vooral uit noordndl. tongvallen opgeteekend (doch ook uit Exc. Cron. v. Brabant, evenwel daar in een verhaal der verovering van Damiate, dat uit eene hollandsche bron kan zijn geput); daarmede in overeenstemming is het feit, dat het in Kil. noch Plant., noch ook in de hedendaagsche zndl. tongvallen wordt aangetroffen.
+Ketting.
Een yseren raecse ten lewe mit 2 crammen, Rek. d. Gr. 2, 176, Holland, 1343-1344  (vgl. 177: van der lewen cost).
Dieselve nedervensteren (benedenramen) sal men hangen an raeczen (var. raecxse) opter brete voirsz. ende niet op palen te leggen (zóó dat ze uitslaan kunnen?), Wfri. Stadr. 2, 57, 166, Holland, 1520-1540.

Dat men een niwe keurboeck sal doen maecken ende leggen an een raecks upt stedehuys tot gerij flijckheyt ende vordele van dengeen diet begeren te lesen, 2, 7 (a. 1530)   (te Hoorn).

So heeft … Willem … mit die van Haerlem eenen nieuwen raet gevonden ende dede maken onder aenden rugge van sijn scip een stalen sage mit scarpe tanden ende verwachte den wint ende stroom, ende quam crachtelic gezeylen (aldus) op die raexen vander haven, ende overmits den groten last vant schip borsten de raxen (l. raexen) an stucken (te Damiate), Exc. Cron. 110d., Vlaanderen/Brabant, 1530

Nu hebben die heidens over haren haven gespannen een yseren raex groot ende swaer (vgl. Exc. Cron. t. a. p. “want dair ysere ende sware metalen raexen onder dat water gingen van dene toorne totter andere”) …; mit desen raex sloten sij haer haven …; doe … maecten (die van Haerlem) enen zaghe van harden stale onder den bodem vanden scepe vast … ende verbeiden een starke voorstaende wint … ende zeilden … den raex ontween (l. ontwee: wee), uit Lofdicht op Haarl. (achter Goudsch Chroniekje, hs. te Utrecht), Holland, 1491-1500  (vgl. Clerc 62: “(de) ryvier … die tot beyden eynden gesloten was dwers mit enen groten mastboom”).

(Si) hadden een ander maniere van geesselen, kettenen oft raecsen, hebbende haecken ten eynde aen, Boec v. d. L. J. 282c.

Een silveren raex, R. v. Leiden 67, Holland, 1301-1500  (uit een Leidschen boedel, a. 1408).

Geg. C. dat hy die raecse vander tonnen lengede IIII vame, Rek. v. Brielle v. 1415, Vlaanderen/Holland  (f. 16r).

Geg. van eenen reep die ghebesicht was om die tonne ende raecse op te wimen (l. winnen) die verloren wart ende om een hout, dair een dobber of ghemaect was die op die raecse ghemeert wort, ald., Vlaanderen/Holland

Van een nyeu slot dair die raecse mede ghesloten is, ald., Vlaanderen/Holland

Die raexe (aan een ton “dairmen die Mase mede ghebakent heeft”), Rek. v. Brielle v. 1453, f. 33r, Vlaanderen/Holland  (rek. v. 1454 f. 20v wordt gesproken van “veter an die tonne” en 1461 f. 28: van vetelen; vgl. hd. fessel).
Aanm.
Ook komt Raex als plaatsnaam voor te Haarlem, Zijlkl. 259 (a. 1485) en 284 (“die graft van die Raecx”). De naam is aldaar nog heden bekend.