Koppelingen:
Vorig artikel: SERAPHIJN
Volgend artikel: SERE II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

SEREI

Woordsoort: bijw

Varianten: zere, seerre, seer, zeer

Modern lemma: zeer

(zere, seerre, seer, zeer), bijw. Mhd. sêre, sêr; mnd. sere: hd. sehr; ndl. zeer. Van seer, bnw.; z. ald.
1.  Pijnlijk, smartelijk, zeer. Vgl. ndl. “dit doet mij zoo zeer”, waarin zeer bijwoord is blijkens zoo, dat niet vóór een znw. kan staan. Ook in het Mnl. is het gebruik van het woord in deze beteekenis beperkt tot de uitdr. enen sere (seer) doen, waarnaast staat enen seer doen, waarin seer znw. is. Vgl. ndl. “iem. leed doen” en mnl. “dat hi hem so lede dede”. Zie doen, Intr., 2).
Dat die quetsinge in der (l. den) hoofde hoor niet so zere noch soo wee en dede als die slage ende stotinge in hoir zyde, R. v. Leiden 190, Holland, 1434-1542.
Als die wonden alre zeerste doen, Haagsche Bijbel 1, 34c., Holland/Vlaanderen, 1415-1435
+2.  De gewone beteekenis is sterk, krachtig, zeer, in hooge mate, grootelijks, geweldig. — Het woord wordt als bijw. gebruikt bij werkwoorden, bijv. naamwoorden en bijwoorden.
3.  Hard, zeer, met kracht. Sommige der onder 1) genoemde voorbeelden kunnen ook hiertoe worden gebracht, o. a. die waar sere door “met nadruk, met klem” werd weergegeven. In het Zndl. der middeleeuwen wordt hier meer sere gebruikt, terwijl het hedendaagsche Noordndl. aan “hard” de voorkeur geeft; het mnl. (zndl.) harde (z. ald.) daarentegen moet in onze taal meestal door “zeer” worden weergegeven. Voc. Cop. sere werken, wtarbeiden, elaborare.
Sere vacht men daer overal, Wal. 10516, Vlaanderen, 1350.
Bort seere een naveghers gat, Natuurk. 645, 1451-1500  (varr. seer, zeer).

So sere si te gader dronghen, dat si tsockeerden metten peerden, Alex. III, 62, Vlaanderen, 1390-1410.

Tibert dede ic muse vaen, daer icken sere dede slaen, Bloeml. 1, 7, 41, Vlaanderen, 1401-1410.

Sine vedere sere slaende (met kracht met de vleugels slaande, ten teeken van rouw), 1, 2, 10.

Dat Reinaert so sere tooch, dat hi (Isengrijn) bloet van pinen spooch, Rein. II , 7355, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Hare scachte si vernamen, sere si weder te gader quamen, Ferg. 1829; ook 2347, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Als men werpe, seer ocht lyse (hard of zacht), een druppele waters in een vat, Lutg. II, 1887, Brabant/Limburg, 1391-1400.

(Hi) viel soo sere, dat hem deerde in alle die lede, Mor. 1370, Vlaanderen, 1301-1400.

Sine slage waren so groot, ende wogen seerre (kwamen harder aan) dan loot, Lanc. II, 42727, Vlaanderen, 1301-1400.

Metter vust, die sere wach van den wapinen, Mor. 1230, Vlaanderen, 1301-1400.

Hadden si (de Romeinen) wel opghedraghen (boven aan gesteld) ghemeyn orber als si plaghen, God … en hadse met allen dus zere niet laten vallen, Wrake I, 1152, Brabant, 1390?-1410?.

In dat selve jaer … so regendet also seere, dat die luden meenden dat die dyluvie weder soude hebben gecomen, Kron. v. 1467, f. 58a, 1467  (aangehaald bij Clign., Bijdr. bl. 378).

Al sla ic zeer, en rake nye man, Hild. 67, 118, Holland, 1475-1485.

Waer om ben ick … aldus seer ghegheselt, ende aldus seer gheslagen, Pass. W. 119d, Holland, 1480  (bij Oudem. 6, 50).

Die tgelt pait, hi machse (paarden) riden, wilt hi sachte, wilt hi sere (hard), Rose 10116, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325.

Rein (regen) sachte vallende is zere goet, … mer vele reyns ende vallende sere quetst die vrucht, Sp. d. Sonden 87, 1401-1500.

Doe … het seer ginc op den nacht (hard naar den nacht liep, dicht bij den nacht was), nam die coninc op tperlement, Sp. II 7, 22, 80, Vlaanderen/Brabant, 1390-1405.

Het gaet met mi ten avonde waert, de sonne die daelt so seere, Profijt. Liedeb. 186, 3, Brabant, 1889.

De dach gaet zeere (schiet of kort hard op), het naect der nacht, OVl. Lied. e. G. 523, 162, Vlaanderen, 1340-1360.

Dat si enen luut hebben gehort van enen vogele, die riep sere (hard of luid schreeuwde), Velth. III, 27, 14, Brabant, 1340-1360.

Doen wouden sine ter neder slaen, ende hi riep sere: laet staen, ic ben des hertogen cnecht, 13, 9, Brabant, 1340-1360.

Derde werven riep hij seer: verloost mich, Serv. II, 1899, Limburg, 1451-1500.

Zambri die riep lude ende sere: ghenade! Sp. II 5, 23, 571, Vlaanderen/Brabant, 1390-1405.

— Sloech u mijn vader met roeden, ic sal u alle ghader seerre met scorpen slaen, Segh. 12115.

Dus staecsi seere dan te voren, Bloeml. 1, 118, 309, Vlaanderen, 1340-1360.

(Hi) hiet … vele te seerre steken den ram, Rijmb. 31859, Vlaanderen, 1321.

Die hem meest verheft, die valt dan alre seers(t) (doet den grootsten val, den hardsten smak), Proza-Sp. d. S. 75d., Holland/Noord-Oost Nederland, 1434-1436
4.  Met snelheid, snel, hard. Teuth. seer lopen, rennen, cursitare; curtsier, seer lopende pert (harddraver), cursitarius. Kil. seer gaen, j. rasch gaen, properare; om ter (l. het? ook Kil. auct. heeft ter) seerste loopen, certare cursu, contendere cursu. Plant. zeer gaen, accelerare gradum, decurrere.
Ene riviere, … die groot was ende herde diep ende die herde sere liep, Lanc. II, 41166, Vlaanderen, 1301-1400.
Ende die stroom daer sere liep, Mor. 1274, Vlaanderen, 1301-1400.

Een waghen, die seer quam ghevaren, doden, (doodde hem), Pass. W. 119c, Holland, 1480  (Oudem. 6, 50).

(Hi) sach den ridder … up hem comen, lopende sere, Wal. 9868, Vlaanderen, 1350.

Boden, … die sere liepen al omtrent om succoers, 10423, Vlaanderen, 1350.

Dat men metsen soude seere, Sp. I 3, 15, 17, Vlaanderen, 1301-1325.

Hier stieten sy hem onweerdelic dat hij (Christus met het kruis) sere gaen soude, ende dwongen hem als (namelijk?) te lopen, Hs. 80, f. 168a, Holland, 1401-1410  (Hs. Moll 7, 117a: seer ganghen; alse te lopen).

Sich hoe sere dat sij liepen, ald. b., Holland, 1401-1410

O, alle mijn … stercheit (tot God), … mit welker ic seer loope, sonder welker enz., Gerl. P. Solil. 234, Bovenregionaal, 1430-1450.

Sinen esel, daer hi an begonste metten garden nopen, omdat hi soude te sere (d. i. seerre) lopen, Esop. LXVII, 2, Holland, 1340-1360.

Gaet rechte ende niet te sere, Rose 12431, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325.

Ander volc … die lopen utermaten sere met énen voete, Nat. Bl. I, 314, Holland, 1351-1375;  ook Limb. V, 312.

Keye quam dore dat gras sere met sporen te hem wert, Ferg. 5224, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Hine voer (reed) niet sere, waer (maar) den telt quam hi gereden ane een velt, 311, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Hi quam ghelopen vele sere, Rein. I , 762, Vlaanderen, 1401-1410.

Die also seer … gewont werden van den Drenten, dat sy mit cleenre eeren weder keerden, ende liepen soo seer, Matth. Anal. 3, 112, Holland, 1501-1600.

Dan soo soude onse scande sere lopen (zich snel verbreiden) achter lande, Bloeml. 3, 4, 115, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Soo sere reet hi …, dat hem daer sijn ors ondroech verre, Limb. X, 408, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Hi quam … gereden sere boven maten, Mor. 2869, Vlaanderen, 1301-1400.

Si voeren sere daerwaert, Ferg. 85, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Entie Romeyne volgden sere, Rijmb. 29763, Vlaanderen, 1321.

Die mare liep verre ende sere, Sp. III 2, 40, 1, Vlaanderen, 1301-1325.

— (Hi) reet opt velt seerre dan sinen vollen telt, Lanc. III, 16596, Vlaanderen, 1301-1400.

Der W. sloech met sporen tpaert ende reet wech sere dan den telt, Wal. 4754, Vlaanderen, 1350.

Het gaet … sere (d. i. seerre) sinen telt dan enech anders ors mach rinnen, Ferg. 3714, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Hi quam sere dan vliecht die went, 1756; ook 2341; 159, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Dat ors liep sere dan een hase, 3807, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Een ors dat met gheswinde seerder liep dan hert of hinde, Grimb. II, 3768, 1805-1815.

Sijn ors dat sere liep als (dan) een hinde, 1890  (var. stercker dan; vgl. 1869: oversere).

Dors … dat seerder liep dan een hinde, 3218; 4396.

(Hi) quam toegeslagen … vele seerder dan den pas, I, 4027  (var. seerre).

Tors dat liep recht oft vliegen soude serre dan swaluwe oft musschet, II, 2257.

Hi liep seerdere te voet dan enech spaensch ors doet, Roel. II, 15.

Hets merre (het dier is grooter) dan een ors ende loopt serre dan een ors doet, Lanc. II, 43692, Vlaanderen, 1301-1400.

Al sout sinen heere X lb vromen, hi (de knecht) ne can niet zeere dan ghegaen, Denkm. 3, 97, 84, Vlaanderen, 1350-1420.

Hoe seerre het (het paard) liep, te meerre tmocht, Segh. 1965.

Zo mer … meer houts toe (bij het vuur) leit of doet, zoot zeerder brandt, Boëth. 55b.

(Hi) quam ten knape wart, so hi seerst mochte, Ferg. 330, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.
5.  Bij begrippen van afstand. Ver.
Hoe hi hem jegenwordich gaf hem daer hi zere was af, Franc. 6251, Vlaanderen, 1320-1340.
Bij 2) staat eene plaats, waar het woord door het verband het tegenovergestelde begrip aanduidt, nl. “nabijheid”. Zie ald. Sp. II 7, 22, 80, Vlaanderen/Brabant, 1390-1405.
6.  Uit de bet. “in hooge mate” ontwikkelt zich die van nagenoeg geheel.
Ic moet wel roucledt draghen, want mine ghespelen sijn sere (bijna alle) doot, Vad. Mus. 2, 158, 57, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1390-1420.
In desen vijf punten sijn seer alle die quaetheden begrepen, die hier voort uut spruten moghen, Con. Som.2 271, 97, 1437.

Doch wilicker vive noemen, daer dander (tacken) seer uut spruten, 269, 94.

Ende (si) zijn de naeste 10 jaeren zeer gebleven in éénen staet, Inform. 210; ook 211; 315; 423, Holland, 1514.

(Si) zijn zeer in éénen getale, nu ende over 10 jaeren, 421, Holland, 1514.