Koppelingen:
Vorig artikel: SWACHTEL
Volgend artikel: SWADEGENOOT
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

SWADE

Woordsoort: znw(v.)

Varianten: zwade

Modern lemma: zwade

(zwade), znw. vr. Ndd. swade; mnd. swade; hd. schwade; ohd. swade; fri. swe; ags swadhu; eng. swath; dial. swede; ndl. zwade. Het woord is nauw verwant met swat (swad), waarmede het ook in verschillende tongvallen in beteekenis overeenkomt. Zie Grimm's Wtb. 9, 2168 vlg. en Franck op zwad, zwade; Skeat op swath en swathe.
Voor de bet. “strook afgemaaid gras, strook geploegd land, en eene bepaalde maat van land” (Beekman 1858), zie bij swat. — In het bijzonder in de oostelijke streken heeft swade de bet. van de kruk van eene zeis; in andere beteekent het zeis, zooals ook in het Mnd. en Ndd. Kil. swade, Fris. Holl. Sicamb. j. seysene, secula, falx. Plant. een seyssen, swade, leen, zende, une faulx ou faucille, falx foenaria. Vgl. Molema 492 op zwoa.
Pro quibusdam instrumentis dictis snaden (l. suaden, d. i. swaden) ad metendum, Rek. d. Cam. 1, 94 (a. 1340), Noord-Oost Nederland, 1337-1347.
Frederico pastori insule pro curvis lignis snaden (l. swaden) ad instrumenta dicta siichte habitis, 2, 57, Noord-Oost Nederland, 1348-1360.

Eidem S. pro instrumentis dictis snaden (l. swaden), 294.

Den zelven knapen vor eyne snade (l. swade), die (hi) an eyne zichte hadde doen maken XV d., 3, 508, Noord-Oost Nederland, 1361-1372.

(Den) zelven meyers vor eynre snaten (l. swaden), 346.