Koppelingen:
Vorig artikel: TAXERINGE
Volgend artikel: TE II
GTB Woordenboeken: ONW, WNT

TEI

Woordsoort: vz

Varianten: the, to, toe

Modern lemma: te

(the, en oostmnl. to, toe), voorz. Mnd. to, tu, westmnd. te; mhd. ze, zuo; md. ; ohd. zuo, ; osa. ; ofri. ; ags. ; eng. to; hd. zu; ndl. te. De vorm van het bijw. (ndl. toe) heeft in het Hd. dien van het voorz. (ze) verdrongen. Het got. du is van een anderen oorsprong; in het No., waar de stam eveneens ontbreekt, wordt het begrip uitgedrukt door til (ook in het Eng. till in de bet. “tot, tot aan”, van tijdsbegrippen). Zie over de mogelijke verwanten buiten het Germaansch de Wdbb., en over de ontwikkeling der verschillende beteekenissen het uitnemende artikel zu in Paul's Wtb. 570 vlg. Het voorz. te regeert zoogoed als zonder uitzondering den datief, zoowel als het eene rust als wanneer het eene richting of doel uitdrukt; “was sich aus dem zusammenfall von ursprünglichem Locatif und ursprünglichem Dativ (zur Zielbezeichnung) erklärt” (Paul); slechts eene enkele maal vindt men bij te een acc. van een voornw. in het rijm, nl. te dat (Sp. I 7, 26, 4). Een genitief, eveneens van een pronomen, staat bij te in het voegw. tes; z. ald. De e van te wordt herhaalde malen geapocopeerd en t(e) met een volgend woord tot één woord verbonden; zie bij T (kol. 1) en vgl. verder mnl. ndl. ter, ten, tes, terre, tere, tenen, tien, tesen; mnd. ndd. tor, tom; hd. zum, zur; mhd. zem (ze dem), zer, zen, zuon (zuo den), zaller, zende (Lexer).
+1.  Te, ter uitdrukking der plaats waar iets is of geschiedt, in beteekenis gelijkstaande met den locatief in de vroegere taal. Zoo ook in het Mhd. (ze Wiene, ze Rine, “am Rhein”; ze 'n Hunen, “im Hunnenlande”); mnd. (“in den landen to Lusitze; de erlike stat to Lubeke”); hd. (ook hier vooral bij plaatsnamen) zu Innsbruck, zu München, zu Baden, en in tal van uitdr. als “zu hause, zu bette, zu tische; zu felde, zur rechten hand enz.”; zie Paul). De beteekenis staat hier met bij, op, aan of in gelijk, en in de latere taal zijn deze voorzetsels zoowel in het Ndl. als in het Hd. voor te in de plaats gekomen. Doch bij plaatsnamen is te het gewone woord gebleven (vgl. hd. ze München, mhd. ze den Münechen, “bei den mönchen”; zu Innsbruck, “bei der brücke des Inn”; zu Tegernsee, “an dem Tegernsee” (Paul)). In sommige plaatsnamen is te er mede versmolten tot eene eenheid, zoo b.v. in Terborg, Tergouw (Ter Goude, “Gouda”), Terwolde e.a.; vgl. ook de talrijke geslachtsnamen met Te, Ter, Ten, waarin de praep. dezelfde beteekenis heeft. Voor het Mnl. vergelijke men de plaats uit Lanc. II, 24492: “een berch, … die “ten verbodenen berge” es geheten”. Teuth. wair is Herman? to Colne, to Romen, Colonie, Rome. Plant. te Brussel, à Bruxelles.
Dat hi enige broeders … senden wilde ter plaetsen geheten te Wast, Exc. Cron. 27c., Vlaanderen/Brabant, 1530
Ic maecten moenc ter Elmare (een klooster), Bloeml. 1, 8, 59, Vlaanderen, 1401-1410.

Ter capelrie tsente Martijns tUtrecht, Rek. d. Gr. 2, 42, Holland, 1343-1344.

(Enen) setten in den stoel (= conincstoel) tAken, Rein. I , 2272, Vlaanderen, 1401-1410.

Die stat te Babylone, Alex. V, 846, Vlaanderen, 1390-1410.

Jacob du woons in den Dam, ende ic tUtrecht, Wap. M. II, 14.

Te Dordrecht (TDordrecht, Tordrecht), Wap. M, II, 15 var.;  Stoke V, 259 en var.

In die stat te Parijs, Lorr. I, 1405.

Te Parijs in die stede, Rose 10761, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325.

tAthenen, Sp. I 8, 20, 36, Vlaanderen, 1301-1325.

Te Romen, Rein. II , 4534, Holland/Vlaanderen, 1451-1500;  enz.
2.  Te wordt op tijd overgedragen. Zoo ook mhd., mnd. en hd.; vgl. Paul t. a. p. “zur zeit, zu mittag, zu abend, zu nacht speisen, zu ostern” e. a.), en eng. to day, to morrow. — Kil. te nacht, de nocte, nocte; te twee uren, ad horam secundam; te wijle, interim, interea.
Ten (op den) donresdaghe, diemen heet wit, hiet God sinen jongren dit, Sp. I 7, 26, 1, Vlaanderen, 1301-1325.
Te hoghen tiden (op hooge feestdagen), Rijmb. 19764, Vlaanderen, 1321.

Ten ingane van Aprille, Bloeml. 1, 2, 40, Vlaanderen, 1401-1410  (Rein.).

Ten nieuwen gerse (in het voorjaar), Sp. III 2, 20, 33, Vlaanderen, 1301-1325.

Te tween tyden tsjaers, te wetene es te Sente Bamisse ende te halfvastenen, Belg. Mus. 10, 111, Brabant, 1413-1475.

Te (in) Meye op den dertiensten dach soo verschiet (hi), Serv. I, 3134, Limburg, 1451-1500.

Dicker vlogen si (pijlen) … dan te Aprille die regen doet, Lorr. II, 623.

Te somere, Nat. Bl. VII, 558, Holland, 1351-1375.

Te wintere, 559.

Tavont of morgen, Lanc., IV, 406, Vlaanderen, 1301-1400;  voor dit tavont of (te) morgen, zie ook morgen, kol. 1936 (de uitdr. is nog heden bekend).

Op desen dach te merghentide had mijn heer ten eten den heer van A., Rek. Bissc. v. Utr. 321, Holland, 1377-1378;  voor te merghentide, ter morgentijt, zie ook morgentijt.

Te tercietide, Exc. Cron. 111d., Vlaanderen/Brabant, 1530;  zie tercietijt.

Te vespertide, Rijmb. 25853, Vlaanderen, 1321.

Te tijt (op tijd, intijds), Rijmb. 10596, Vlaanderen, 1321  (var. te tide).

Waer die gone sijn ghevaren, die hier te nacht te werke waren, Wal. 6956, Vlaanderen, 1350.

Ghi sult te nacht scande ende onnere alle ghedoghen dor mi, Rijmb. 25950, Vlaanderen, 1321.

Si sullen noch tavont blide sijn, Segh. 4069  (zie verder bij avont en vgl. tavontmere; ook tamere).

Te haren tiden (op hun tijd), V. d. Houte 197, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Oec was tier tijt anegeleit die torne (die) aen de visschemart steit, Edew. 1127, Brabant, 1444;  voor tier tijt, tien tiden, teenre (tere) tijt, te deser (teser) tijt e. a., zie ook tijt.

Tontide, tontijt (ter kwader ure), Wap. M. II, 12  (vgl. ook ontijt).

Die huese sal men sliken (met leem besmeren) … tusschen hier ende sente Johans misse te middesomer, O. Vaderl. R. 2, 490, 58, Noord-Oost Nederland  (zie ook middesomer).

Te Passchen, te Sinxen ende te medewinter, R. v. Aardenb. 274, 74, Vlaanderen, 1301-1350  (voor te midwintere, medewinter, zie ook bij middewinter).

Hi verrees te middernachte, Rijmb. 8156, Vlaanderen, 1321  (voor te (ter) middernacht(e), zie ook middernacht).

Sijns selves helm nam hi te desen (daarop) ende lieper mede ter rivieren, Wal. 3914, Vlaanderen, 1350.

Twelke mijn Heere … noch sijn raet, haer te voeten vallende tien stonden, gheenszins afghebidden en conden, Brab. Y. VII, 6275, Brabant, 1460-1480.

Nu geviel tere stont, dat se te minen dienste niet en cam, Flor. 3453, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1360.  (voor ter stont, tere stont, tier stont, tien stonden e. a., zie ook stonde).

(Hi) stac heer Henric tier ure beneden bokele van den schilde, Grimb. I, 4265, 1805-1815  (voor tier ure zie ook ure).

Ten sevenden, ten yersten maen(t)stonde, ende ten yersten jaergetide, Belg. Mus. 2, 165, Holland/Vlaanderen/Brabant.

Tot elken van den vier hoghtiden …, te weten te kersmisse, te paesschen, te pinxteren ende te alderheiligen misse, 165 vlg. (a. 1421)   (te Breda).

Toten berghe, die heet Pyrene, dien men … nu ter wilen Porsesers heet, daer Gallen ende Spaengen sceet, Sp. III 4, 1, 79, Vlaanderen, 1301-1325  (voor ter wilen, onderwijl, intusschen, zie ook wile, terwilen, ook tewile).

Ter wijlen dat, in den tijd dat, Barth. 578b., Holland, 1485

Ten einde, eindelijk, ten slotte, Elckerlijc2 51, 422, Vlaanderen/Brabant/Holland, 1401-1420  (vgl. tenden).

Ten joncsten daghe (in het laatste oordeel), Wap. M. I, 274 e. e.

Te beghinne, Rijmb. 21816, Vlaanderen, 1321  (varr. ten beghinne; zie begin).

Ter eerster waerven, ter ander waerf, Sp. III 5, 16, 25, Vlaanderen, 1301-1325.

Latent staen (de slang) ghebonden, so als hi (de man) ten eersten (oorspronkelijk) mochte (had kunnen doen), Rein. II , 5032, Holland/Vlaanderen, 1451-1500  (zie verder bij eerst, ook de uitdr. teersten).

Alse sijt (hun kind) dri daghen hadden ghesocht, so vonden sijt te lesten in den tempel, L. v. J. c. 20, Brabant/Limburg, 1301?-1310?  (zie verder bij lest en vgl. beneden bij 15 te lest).

To den yrste(n) mail, primitus; to den lesten mail, postremo, Teuth.2 392b., Nederrijn, 1477

Ten drien jaren (in het derde jaar). keerden si ende brachten goud, selver enz., Rijmb 11920, Vlaanderen, 1321.

Sulke seggen dat hi alle jare … quam dare; sulke seggen dat mens niet en sach dan te x jaren up eenen dach (één dag in de tien jaar), Sp. I 1, 53, 15, Vlaanderen, 1301-1325.
+3.  Te als uitdrukking van richting. Zoo ook mhd., mnd. en hd. (zie tal van uitdrukkingen bij Paul t. a. p.). Naar, tot, te. Teuth. wair wyldi? to Colne, to Rome, Coloniam, Romam. Kil. te lande gaen, ire rus; te gronde gaen, ire pessum.
Hoe Jason voer … te Colcos, MLoop I, 668, Holland, 1470-1490.
(Hi) tooch te Thrier in die stadt, III, 877.

Morghin … willic te Rome om aflaet, Rein. I , 2723; ook 2798, Vlaanderen, 1401-1410.

Ic moet te Romen om een absolucie, Rein. II , 4521, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Ic sel den provisoor doen citieren te Romen, 4537, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Te Leyden (naar L.), Stoke III, 327.

TAlcmaer (naar A.), II, 490  (vgl. dl. 2, bl. 28).

Doe quam soe te Parijs in die stat, Sp. III 5, 46, 11, Vlaanderen, 1301-1325.

Dat hise tAken voerde, Lorr. I, 1093.

(So) es hi te Vrankerike gevaren, Sp. IV 1, 18, 57, Vlaanderen, 1301-1325.

Ende so heenen te Spaengiën saen, IV 1, 19, 50.

Te lande keren, Sp. I 8, 6, 2, Vlaanderen, 1301-1325.

Die weduwe voer te lande vro, III 5, 29, 37.

Dat alle … die hier int lant sijn ghevaen met mi vri te lande (het vaderland) gaen, ald. 94.

Hi had so overal … bereit, dat hi dar niet al te lande varen (naar zijn land gaan), Lorr. II, 272.

Dat hi te lande varen most (naar het land, aan land moest gaan), MLoop I, 339, Holland, 1470-1490.

Ic stack van lande minen schuut ende voer thuus, II, 95.

(Si) streken weder thuus, III, 1145.

(Si) sijn beyde thuus ghegaen, II, 2036.

Ic vare te minen vader ende tuwen vader, L. v. J. c. 237, Brabant/Limburg, 1301?-1310?.

Voeric thuus, dat ware mi scande: … quamic thuus, in wiste waer an mine hande slaen of toe vaen, Limb. V, 1782, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Te sint Pieters (nl. kerke) te Romen varen, Franc. 506, Vlaanderen, 1320-1340.

Si en dorste niet keren thuus, Lsp. II, 3, 62, Brabant, 1340-1360.

Tons comen, L. v. J. c. 147, Brabant/Limburg, 1301?-1310?.

Die van henen willen tu comen, ald., Brabant/Limburg, 1301?-1310?

Moises ghinc te sinen maghe, Rijmb. 4017, Vlaanderen, 1321.

Hi keerde tsinen meester, Sp. I 8, 3, 40, Vlaanderen, 1301-1325.

(Hi) liep te Jacobpe, ald. 74.

Synt dat ghijt (het Evangelie) steect van u, so keren wi ten heidinen, I 8, 11, 35.

Hier keren wi … ter apostele jeesten weder, I 8, 8, 65.

Een aerme clerc …, die tonser herberghe ghinc ende keerde, I 7, 74, 61  (varr. tonsen ter h., tonsent ter h.).

Bringhen den lichame ter erden, Bloeml. 1, 5, 150, Vlaanderen, 1401-1410.

Met Sente Brandane ghinghen si doe neven een water te dale (stroom afwaarts of weg, zooals op de volgende plaats) tote eene der scoonster zale, Brand. 732, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1360-1380.

Daer quam een zuutwesten wint, die dreef hem … weder noort oost te dale (weg) up die wilde zee scale, 519, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1360-1380  (vgl. fra. “là bas”, d. i. “daar ginds, een eindje weg”).

Doe … saghen si van berghe te dale (naar beneden) Canticleer comen ghevaren, Rein. I , 283, Vlaanderen, 1401-1410  (zie bij dal en vgl. tale).

Men sleiptene … te berge op, te dale neder, Lanc. III, 22949, Vlaanderen, 1301-1400  (voor te berge, naar boven, zie ook bij berch de uitdr. “te berge ende te dale”, in alle richtingen).

Van berge te dale, Rein. I , 284, Vlaanderen, 1401-1410.

Een ridder quam te sire doot (op het oogenblik of de plaats waar hij stierf), V. d. Houte 771, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

So langhe gaet te water die cruuc (wordt de kruik in den put naar beneden gelaten) … dat si breect, Rein. II , 4356, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Te hemele, naar den hemel, ten hemel, Rijmb. 13024, Vlaanderen, 1321  (te hemele varen); 13067 (hi voer wech te hemele wert); 16686; 26634 (zie ook bij hemel).

Ic sal ter hellen varen (ten grave gaan) ende mijn kint beweenen, Rijmb. 2895, Vlaanderen, 1321.

Dat sonder lijf (leven) es, ghaet te gronde (in de Doode Zee), 1917, Vlaanderen, 1321  (lat. omne carens vita in profundum mergitur).

Te viere liep Pieter omt (var. om) verdriet van coude, 26134; ook 28796, Vlaanderen, 1321.

Leetse te watre (breng ze bij het water), 7548, Vlaanderen, 1321.

(Si) leidu over al te stiere (verkoopt u aan alle mannen), Rose 8813, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325  (waarschijnlijk een grof beeld, ontleend aan de veeteelt).

Dat spere brac, ten swerde hi vinc, Bloeml. 2, 120, 464, Brabant, 1800-1820  vaen ten swaerde, naar het zwaard grijpen, overgaan tot den strijd met het zwaard; zie swert en vaen); vgl. ook vaen ten heiligen, de reliquieen aanraken; zie vaen.

Daer bi doet grote weldaet, die ter rechter wraken (straf) vaet, Melib. 2600, Brabant, 1390-1410.

Hi bedwanc … die ghene … te siere hant, 30491  (eig. onder, in het bereik van, zijne hand doen komen; vgl. ndl. “naar zijne hand zetten”).

Hi (Christus) heeft verkeert die rijcste tsiere hant, L. o. H. 2392, Brabant/Vlaanderen, 1438.

Te bedde gaen, Parth. 1196, Vlaanderen, 1376-1400  (zie ook bedde).

Dat hi met hem te wighe ghinge, Rijmb. 9718; ook 13677, Vlaanderen, 1321.

Benadap dede gaen te stride, 12657, Vlaanderen, 1321  (zie ook bij 4).

(Hi) onboot … de heren, dat si te hem quamen, Stoke IV, 1338.

Ghepulvert … doet si (sassefras) te hant te hare comen alle luse, Nat. Bl. X, 609, Holland, 1351-1375.

(Hi) vande te (bezocht) sinen man, Sp. III 5, 29, 41, Vlaanderen, 1301-1325.  (zie vanden).

(Doe) voer dat swerc te siere steden, Rijmb. 5142, Vlaanderen, 1321.

Als hi te clooster weder quam, Hild. 147, 371, Holland, 1475-1485.

Die cortste wech die men gaen mach te Gode, Ruusb. 4, 18, Holland, 1461.

Ic reet te velde om nuwe lust, MLoop II, 99; enz., Holland, 1470-1490
+4.  Te als uitdrukking van eene bestemming, een doel, te, tot, om.
Ic wille gaen … te biechte hier te di, Bloeml. 1, 7, 11, Vlaanderen, 1401-1410.
Hi moet dies te biechte gaen, Parth. 2037, Vlaanderen, 1376-1400.

Dat elke (mier) te haren ambochte (taak) gaet, Nat. Bl. VII, 561, Holland, 1351-1375.

Si (de Romeinen) en setten nieman tambochten (bedieningen), daer hi toe niet dochte, Teest. 1250, Brabant, 1390?-1410?.

Dat men te campe besciede, Belg. Mus. 1, 27, 25, Brabant, 1460-1480.

Sine jongeren gingen tenen rade, L. o. H. 1546, Brabant/Vlaanderen, 1438.

Offrene (Isaac) my (God) te minen doene (te mijnen behoeve) up enen bergh dien ic di (Abraham) wize, Rijmb. 1984, Vlaanderen, 1321.

Dits die gesele tinen doene (te uwen behoeve. nl. van het lichaam), Franc. 2373, Vlaanderen, 1320-1340.

Waert dat u die duvel niet en spoene, ghi naemt met u te uwen verdoene (voor uwe behoeften) van uwen rechten (eigen) goede … ende hulpt der kerken, Overzee 127, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1339.

Also seldi raste vinden turen zilen behoef, L. v. J. c. 84, Brabant/Limburg, 1301?-1310?.

Tsceens (d. i. te desgheens) boef, diere … toe gewiet wort, Vad. Mus. 2, 370 (a. 1296), Vlaanderen, 1294-1298.

Te brande doen, Ferg. 3847, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Omme tghewin … hadden si ins tempels huus poortale beesten te cope alrehande, Rijmb. 25087, Vlaanderen, 1321  (Voc. Cop. te cope, venalis).

Si aenbedene te scherne (tot spot, om hem te bespotten) alse den coninc der Joden, Ruusb. 5, 183, Holland, 1461.

Des wel waer nemen, ende dat te sijnre pure eeren, 3, 13, Holland, 1461.

Hi (Jeroboam) sendde na hem sinen drussate, … dien steenden si, te lachtre hem, Rijmb. 12121, Vlaanderen, 1321.

Die ter eerster waerheit (enquête) niet en quame …; ter ander waerheit; ter derder waerheit, Belg. Mus. 6, 301, Brabant, 1401-1410.

Doe deet God reynen … sulfur ende groot vier … te wraken van haren vulen sonden, Rijmb. 1903, Vlaanderen, 1321  (men kan deze plaats ook brengen tot 5).

Te wraken van der scade die hem wilen S. dede, 18169, Vlaanderen, 1321.

Van haerre beider doot te wraken (tot straf voor het dooden van mijn moeder en broeder), 20381; ook 30374, Vlaanderen, 1321.

Gode teeren ende ons te vromen, Sp. I 8, 5, 30, Vlaanderen, 1301-1325.

Ic rade wel … dat men noch te payse sprake, Limb. IX, 768, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Tenen payse, tenen soene spreken, om dien te bewerken, III 6, 39, 47 e. e, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

So wie voirt an meesterye stellen wil, die sel gheven … toten outaer te help (ten behoeve v. h. altaar) een gouden … croon, Leid. Keurb. 500, 33, Holland  (zie verder bij helpe, kol. 308).

H …, die hem quam te helpen saen (te hulp kwam), Rijmb. 7298, Vlaanderen, 1321.

Van Tyren die coninc … sendde hem (Salomo) te helpen … gout ende meneghertiere hout, 11880; ook 14285; 18344, Vlaanderen, 1321  (te helpen staen); 19011; 19151 (te helpe senden).

Thout dat … tons heren cruce was vercoren, V. d. Houte 735, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Quade doeke had hi (Christus) vercoren beyde te wendelen ende te ghewaden, Tien Pl. 1413, Brabant, 1390?-1410?.

— Varen te schelvisch, Enq. 38, Holland, 1550-1570.

Varen ten harinc, ter zee ten hoeck, ten harinck ende coopvaert, 46, Holland, 1550-1570.

Varen ten harinck ende om andere zeevisch, 166, Holland, 1550-1570.

Visschen te post, uitgaan om post te vangen, 114, Holland, 1550-1570.
+5.  De beteekenis van te ter uitdrukking van een doel, eene ndl. voorzetselbepaling met tot, staat meermalen gelijk met eene praedicatieve bepaling, ingeleid door als. Vgl. hd. “zum beispiel, zum muster nemen; einen zum freunde haben” (Paul t. a. p. 571a). Zie eene plaats (Rijmb. 1903) bij 4).
Daer omme was Mariën dan Joseph gegeven tenen man, L. o. H. 309, Brabant/Vlaanderen, 1438.
Dat ghine trouwet tenen man, Limb. III, 428, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Dat haddi van hare te lone, Limb. III, 672, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

(Hi) adde alt lant te lone, Sp. III 6, 39, 68, Vlaanderen, 1301-1325.

Nu brinct voort die viande mine, die mi ontseiden tenen here, Rijmb. 25766, Vlaanderen, 1321.

Ic hadde … dochtren sevene, … die mi Rode die vroede hadde brocht tenen broede, Rein. I , 328, Vlaanderen, 1401-1410.

Enen wyën te bisscoppe, Sp. I 8, 5, 45, Vlaanderen, 1301-1325.

Soe andworde … dat soe Margriete (h)adde te namen, Belg. Mus. 1, 278, 32, Vlaanderen, 1330-1350.

Woekeraer dochter …, papen dochtren ende spelemans nem niet te wive, Bouc v. Sed. 163, Vlaanderen, 1360-1380.

Dese grote vriheden wille u die coninc gheven … te vriën lene ewelike, Rein. I , 3459, Vlaanderen, 1401-1410.

Ic en weet … niemen also ghetrouwe, dien ghi mocht kiesen tenen bode, Rein. II , 2612, Holland/Vlaanderen, 1451-1500.

Dat hi te spegele es gegeven ende texemplen andren lieden, Franc. 1262, Vlaanderen, 1320-1340.
+6.  Het doel, dat men bereikt, kan ook, uit een ander oogpunt bezien, beschouwd worden als het gevolg van eene handeling; vandaar dat te herhaaldelijk voorkomt ter uitdrukking van een uit iets voortvloeiend gevolg, meestal een toestand, ndl. te, tot. Vooral in verbinding met ww., als werden, comen, maken.
Die gode mint, hem comen alle dinc te goede ende te hulpen, Ruusb. 3, 79, Holland, 1461.
Dat verginc hem niet te goede, Rijmb. 32197, Vlaanderen, 1321.

Te coste werden, op groote kosten of duur te staan komen, Rijmb. 29971, Vlaanderen, 1321  (enen te costen ente pinen werden).

De wilde man was int gevecht staerc … ende onvervaert, dat Flandrijs te pinen waert, Flandr. I, 3, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1351-1400  (enen te pinen werden, zie pine, kol. 352).

Dat wart hem al te sire pine, Bloeml. 1, 8, 61, Vlaanderen, 1401-1410.

Dus wart hi te siere pinen (tot zijn ongeluk) uut allen onsen offisinen gheworpen met groter onwerden, Sp. I 7, 85, 47, Vlaanderen, 1301-1325.

Dat mi ende minen broder … dese … dinc souden werden te sure, Mor. 3836, Vlaanderen, 1301-1400  (enen te sure werden, zie suur, znw.).

Also betre mi God mine saken, ic waent heme (Keye) noch te sure maken, Ferg. 1019, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350  (enen iet te sure maken, zie suur, znw.).

Die here selve … bleef te live te sinen lede, tebrokene sine scinkele bede, Sp. III 6, 9, 122, Vlaanderen, 1301-1325.

Sint hi u met (var. te) rasten heeft geleet, Limb. I, 660, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Si waende bi hem sijn te rasten comen, 206, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Dat goudine calf verbernde hi … ende wreeft te pulvere, Rijmb. 5071; ook 14647, Vlaanderen, 1321.

Dit wiken quam hem te deren, 29772, Vlaanderen, 1321.
+7.  Zoo wordt te de uitdrukking voor het verkeeren in een toestand, vooral van het gemoed. Kil. te passe sijn, valere; te vreden zijn acquiescere, contentum esse. Vgl. Lanc. III, 7231: “alse hise (zijne jongen) te doot vant, hi wonde hem selven metten becke in sine borst”, met de onder 6) genoemde plaatsen, waar te doot voorkomt. — Zie verder ook de verschillende substantieven voor verb. als taise, te paise, te gemake, tongemake, te meskieve, te gereke, te poente, ter core, ter vaert, ter noot, ter nauwer noot.
Hets hier bewant te sorghen, Rein. I , 1624, Vlaanderen, 1401-1410  (hs. zorghen).
Want ghene breke en hadde de mensche int paradijs, maer al te wensche, Mask. 1105, Brabant, 1390?-1410?;  zie verder wensch.

Tsinen onwille, tegen zijn zin, V. d. Houte 710, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.  Te maten, in de juiste maat, met mate e. a., zie mate (Voc. Cop. te maten, admodum, eig. ad modum).

Nochtan bleef hi doot van eenre wonden … teenre tafelronden, doen hi te sinen besten was ende hi minst vermoede das, Wrake I, 805, Brabant, 1390?-1410?.

Doe menne gereide tsinen besten (zoo goed mogelijk), Mor. 2101, Vlaanderen, 1301-1400.

Si hadden den wint te vollen goet, Lanc. IV, 7614, Vlaanderen, 1301-1400.

Te haernassche, in het harnas, Rijmb. 28891, Vlaanderen, 1321.

Daer ghi u kint saget hangen te winde, in den wind, aan den wind blootgesteld, O. H. Wonden (var.) 98;  ook ths.

Dat hi nu te banne (in den ban) es ombedat hi hem sette jegen Arture, Merl. 19957, Vlaanderen, 1410-1430.  (vgl. tebannen).

Nyemant en sell in den rade gecoren worden voir scepen, raet e. a., die te banne sijn, Gild. v. Utr. 1, 83, 15.

Off yemant te banne quame derwilen hy raet wair, die soude hem binnen XIIII dagen uten banne lossen, ald.

Van dat hare kerchof te banne was om enen twist die gheviel up tvors. kerchof, Bouc v. d. Audiënc. 162, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1370-1378.

Overmorgen, so sal hi, op dat hi te live si, striden jegen P., Lorr. II, 3470.

Tkint wart te live (herleefde), Sp. III 4, 19, 13, Vlaanderen, 1301-1325.

Dat (d. i. dattet, het kind) te live quam al reene, 30.

Tkint verrees van dode te live, Rijmb. 13237, Vlaanderen, 1321.

Te live laten, 9049, Vlaanderen, 1321.

Sijn kint liet hi te live bliven, 19874, Vlaanderen, 1321.

Hi lovede Gode …, dat hine hadt brocht te dien (in dien toestand, daartoe), Wal. 11088, Vlaanderen, 1350  (men kan de plaats ook brengen tot 9: “het bereiken van een zeker punt”).

Haer lichame quam weder saen tsier vormen, Christ. 531, Bovenregionaal/Limburg, 1359-1386.
+8.  Uit de beteekenis “de richting, waarin zich iets beweegt” ontwikkelt zich bij te de opvatting “tot iets in betrekking staan, op iets slaan”; zoo ontwikkelt te de bet. met betrekking tot, ten opzichte van. Vgl. b. v. Troyen 28278, Nederrijn, 1470-1480: “beide (l. bedi) hadsyse (Helena) soo te haer (had zij hen zoo aan zich verbonden, had zij hen zoo te haren opzichte gestemd), oft conincs Priams dochter waer” (fra. por co l'amoent altretant, “beminden zij haar zoo zeer”).
Ferguut was te hemselven wale (was wel ten opzichte van zich zelf, gevoelde zich frisch en opgewekt), Ferg. 1567, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.
Ferguut ten coninc orlof nam (nam afscheid ten opzichte van den k.) ende ane alle sine man, 1141, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350  (hier als op de beide volgende plaatsen afwisselend met ane, eig. “aan (van) den kant van”).

Te sinen waert nam hi orlof … ende ane die joncfrouwe, 1543, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1350.

Ghebiet mi (beveel mij aan) an (bij) minen heere, … an uwen vader ende an uwer moeder, te uwen scoonheere …, te uwen oom ende te uwer moyen, Livre d. Mest. 3, Vlaanderen, 1350-1400  (fr. ald. overal à).

Ens niemen rike …, hem en ghenoughet te dien dat (ten opzichte van, met hetgeen) hi hevet, Alex. X, 991, Vlaanderen, 1390-1410.

Menighe rime soo es ghemaect, die ter zielen luttel smaect (met betrekking tot, voor het gemoea weinig nut heeft), L. o. H. 5, Brabant/Vlaanderen, 1438.

(òf bet. 1) Verslaende ende vernielende al dat niet rasch ghenoch te been en was, Despars 1, 133, Vlaanderen/Brabant, 1837-1840  (vgl. ndl. “vlug ter been”).

Hoe narenst elc (mier) es tsinen ambochte, Nat. Bl. VII, 585, Holland, 1351-1375.

Tytuse …, die wel ten wapenen was ghewone, Rijmb. 28299, Vlaanderen, 1321.

Tsinen rugge wel ghemicke (passende of geschikt voor z. r.), V. d. Houte 730, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Sine mochten vinden ghenen boom soo groot, die hen dochte te haren noot (geschikt was voor, met betrekking tot hetgeen zij behoefden), V. d. Houte 543, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.

Doe begon ic ten (op den) scatte hopen, Rein. I , 2380, Vlaanderen, 1401-1410.

Die coninc entie coninghinne, die beide hopeden ten ghewinne, 2493, Vlaanderen, 1401-1410.

Van enen dichtre, … die vinden conste ende maken veerse die ter werelt smaken (uit een wereldsch oogpunt aangenaam zijn), Franc. 1918, Vlaanderen, 1320-1340.  Mi is lieve, lede te eenre dinc (ik heb al of niet genoegen in iets, met betrekking tot iets), zie lieve, kol. 575 (voor lede vgl. ald. kol. 231; Matth. Anal. 3, 367 (die daer lede toe was) en
Hild. 175, 112, Holland, 1475-1485: “dat volc was leyt tot deser meren”  ).
+9.  Te heeft de bet. van ndl. tot in den zin van “het bereiken van een zeker punt, eene bepaalde grens”. Tot (mnl. tote) zelf bestaat uit de verbinding van toe en te; vgl. ohd. mhd. zuo ze (Franck op tot). Zie tote. Het kan dus niet verwonderen, dat een deel der beteekenissen van mnl. te overgegaan zijn op ndl. tot.
(Si) ghinghen recht also voort ses milen … te Waelewijc, Stoke VIII, 1155  (varr. te W. toe).
Men ginc bernen ende roven doe al omme ende om te Leiden toe, III, 183  (daartegen II, 218 “tote Haerlem toe” en IV, 219 “tote Alcmaer toe”).

Dat si ten knien ghingen int bloet, Limb. VIII, 1239, Brabant/Vlaanderen, 1340-1360.

Alle die hem ten tiende lede sijn belanc sullent becopen, Rein. I , 2538, Vlaanderen, 1401-1410.
+10.  Het begrip “plaatselijke nabijheid” (bij) ontwikkelt zich tot de uitdrukking van “iets waaraan iets anders wordt toegevoegd”. Bij, behalve. Vgl. ndl. “daarbij (mnl. daertoe) komt” met hd. “dazu kommt”; en zie bij Paul t. a. p. “lege das geld zu dem übrigen; stelle den band zu den anderen; er bekommt keinen zucker zum kaffee”.
Si verliesen ten gewichte (nl. van goud en zilver) loon, alemoesene ende gichte, Rose 10679, Vlaanderen/Brabant, 1301-1325  (ook B; var. C. teenen gewichte).
11.  Het tijdsbegrip ontwikkelt zich tot de uitdrukking van een tijdduur, vooral met betrekking tot de toekomst. Voor. Zoo ook mnd. (Schiller u. Lübben op to, 2). Vgl. bij 9) de bet. “het zich (in tijd) uitstrekken tot een bepaald punt of grens.
Spisen te twee jaren van coorne, van mele, van vleysche Grimb. I, 2329, 1805-1815.
Hi en begeert … broot, niet te jaren, maer dien dach mede over te liden, Con. Som.1 96b, Holland, 1484  (vgl. tjaren).

Dat si die dinc alse ene eyghenscap besitten, die hem teenre tijt verleent waren, D. Orde 230, Holland/Noord-Oost Nederland, 1440-1460.

Hi wille hare te sinen live (zoo lang hij leefde) van sinen rike geven een deel, Sp. I 4, 24, 40, Vlaanderen, 1301-1325.
12.  Naar, volgens, overeenkomstig. Deze bet. heeft zich ontwikkeld uit die van “zich richten (zie 3) naar iemand” in den zin van “iemand tot voorbeeld (vgl. de uitdr. te (tenen) bispele bij bispel, 4) nemen”.
Die mensche is ghemaect te Goods beelde, D. B. Gen. 9, 6, Holland, 1477  (lat. ad imaginem Dei).
Maken wij den mensche ten beelde ende te onse gelikenisse, Gen. 1, 26, Holland, 1477;  zoo nog eens ald.

Ter gelikenisse Goods maecte hi den man, Gen. 5, 1, Holland, 1477  (lat. ad similitudinem).

Diere ghelike machmen merken den heilighen geest tsinen werken, V. d. Houte 259, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410  (wellicht past hier nog beter de bet. aan, uit, door, als aanduiding der kenbron, doch deze opvatting is misschien uit de andere voortgevloeid).

Daer ontstaerf hem sijn esel …, diene drouch te siere noot (naar gelang van zijne behoefte, als hij het noodig had), Sp. III 5, 44, 92, Vlaanderen, 1301-1325  (45, 25 beteekent thaerre noot: “toen zij in gevaar verkeerde”).

Ter beden (overeenkomstig of op het verzoek) van Sint Iden so vercrechse weder … gesontheit, Exc. Cron. 27c; ook 80c., Vlaanderen/Brabant, 1530

Dier lude sijn luttel, die des te rechte (volgens recht en plicht) waer nemen, Ruusb. 3, 50, Holland, 1461.

Si voerdene te Sissoen, alsi te rechte souden doen, Sp. III 6, 39, 25, Vlaanderen, 1301-1325.

Soe (de bruid) sal sijn te rechte wesen, Rijmb. 15663; ook 34872, Vlaanderen, 1321.

Dat hi te sinen rechte (overkomstig zijn stand) neme een wijf van hogen geslechte, Flor. 399, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1340-1360;  zie verder bij recht, 5), kol. 1090.

Constwit (d. i. -wijt) ten regt verstaen, het bregt (brachte) ons drirehande gaven, Limb. Serm. 214d, Limburg, 1391-1400;  zie verder bij recht, 3).

Of mi die lose tonrecht (ten onrechte, zonder reden) teghen u hebben beloghen, Rein. II , 4374, Holland/Vlaanderen, 1451-1500  (de uitdr. kan opgekomen zijn als tegenstelling met te rechte, doch ook kan te gebracht worden tot de modale bet. van te; zie bijen vgl. het gelijkbet. met onrechte, hd. “mit unrecht”; ook onrecht, 1) en 3).
+13.  Bij sommige ww. drukt te uit het begrip van “tot iets verplicht, aan iets gehouden zijn”, hetzij eene verplichting of noodzakelijkheid, van buiten aan iem. opgelegd, of een plicht dien men zich zelven oplegt. Het is niet duidelijk, uit welke beteekenis van te zich deze heeft ontwikkeld. Het ndl. op (bij “op water en brood zitten” en dgl.) is met dit te in bet. niet te vergelijken (Ndl. Wdb. 11, 290).
Den coninc Osee dwanc hi … dat hi hem te chenze stoet, Rijmb. 14146, Vlaanderen, 1321.
Scape, paerde ende coyen siet men nu te velde gaen; die in dat cot hebben ghestaen te winter(h)eten (het met wintervoer hebben moeten doen) …, werden nu van gherse moy, Belg. Mus. 6, 311, Vlaanderen, 1455-1475  (mogelijk ook is dat hier bedoeld is “staan aan de ruif met wintervoer”).

Een blent wijf … die te watre ende te brode Fransoisen avont hilt niet node, Franc. 9618, Vlaanderen, 1320-1340.

Te vastene … te boorne ende te broode, Amand I, 5732; ook II, 5177, Vlaanderen, 1430-1450;  Ned. Proza 68; Cron. v. Vlaend. 1, 48.

Hi gaf haer penitencie … te vasten te water ende te broode, N. Doct. 2267, Brabant, 1401-1450.

De regent (dede) de X canoneken legghen haer leven lanc in den karkere te borre ende te broode, Cron. v. Vlaend. 1, 61, Vlaanderen, 1460-1480.

Soo sullen C. e. a. hiervoir gevangen sittende blijven ende … sitten te water ende te brode durende 14 dagen lanck aftereenvolgende, R. v. Leiden 78 (a. 1481), Holland, 1434-1575.
+14.  Te voor de onbepaalde wijs van een ww. “Genau genommen ist dies eigentlich eine vom Inf. verschiedene form (mhd. gëben, aber ze gëbenne; mnl. te gevene), die aber jetzt mit diesem zusammengefallen ist. Zunächst bezeichnet zu auch hierbei das ziel einer thätigheit, vgl. “er bemüht sich mir zu schaden” etc. So auch neben verben der bewegung, neben denen im Mhd. der blosze inf. zu stehen pflegte, der überhaupt durch die verbindung mit zu immer weiter zurückgedrängt ist; vgl. “er geht, reitet etc. wasser zu holen” (reste des älteren gebräuches: “er geht schlafen, baden, spazieren”)”, Paul, t. a. p. bl. 571. Voor het Mnl. zie de §§ 277 vlgg. in Stoett's Syntaxis; Van Helten in Tijdschr. 10, 222ᶗ241 en de andere bij Stoett § 281 genoemde literatuur. Voor het verbleeken der bet. van te, vgl. eng. to vóór werkwoorden (zoo ook deensch at). Hier volgen voorbeelden van het gebruik van te met een infinitief, die men met de t. a. p. genoemde kan aanvullen. De vormen van den inf. (lesen) en van het gerundium (lesene) worden in het Mnl. dooreen gebruikt (doch nog heden in het Friesch uiteengehouden, Stoett § 277 Opm. 2). In de oudere teksten is het gebruik van het gerundium overwegend. In het Gloss. op den Parth. (ed. Massmann), bl. 279 worden vermeld: te biddene, te doene, te gane, te hebbene, te horne, te comene, te cussene, te levene, te mergene, te nemene, te seggene, te sine, te slapene, te soekene, te sprekene, te stane, te vaerne, te vliene, te wrekene, te kinne, te winne; daarnaast alleen te werpen. In Reinaert I vindt men: te wroeghene (113), te leerne (142), te levene (330), te lesene (359), te doene (383), te segghene (385), te sine (411), recht te nemene ende te gevene ende in vreden voort te levene (529), te ligghene (536), te lopene (553), te nemene sijn lijf (720), te stekene ende te slane (730, 829), dor te siene (931), te vane (1171), goet te wesene, ende te wakene ende te lesene ende te vastene ende te vierne (1677), te stierne (1680), te gane (1693), te wedene (1677), omme te gane (1707), te doene (2003), te springhene (2019), dor te hoorne (2075), dit doe ic u te wetene (2132), te sine (2183), te mordene (2189), te wroeghene (2223), te ghevene (2433), te segghene (2661), waers te doene (2685), te sprekene (2693), uutwaert te gane (3017), te wachtene (3045), te doene (3114), te ligghene (3472). Daar tegenover slechts eenmaal: te wonen (3177; ook F. 3135; ald. ook 349, 376 te lesen; 373 te segghen; 1669 te wesen, '70 te lesen, '71 te vasten ende viren; '72 te stiren; daarentegen 59 te clagene, 1996 te doene). In het met Reinaert I overeenkomstige deel van Rein. II , geschreven in een niet-zndl. dialect en in een lateren tijd, is de verhouding juist omgekeerd; daar staat: vol hof te houden (57), te claghen (69), te wroeghen (121), te leren (150), te lesen ende te singen (155), te leven (358), te lesen (387; 413), te sijn (439), te gaen (545), te nemen ende te gheven (553), te legghen (560), te hulen ende te brimmen (745), te krimmen (746), te slaen (784; 810) te steken of te slaen (867), te rutselen (997), te wreken (1029), te hebben (1080), te vaen (1195), te risen (1335), te vertrecken (1388), te doen (1619), dede te verstaen (1623), te gaen (1673; 2069), te wesen (1717), te naken (1769), om te horen (2069), te roeren (2158), te moorden (2209), te scutten (2232), te spreken (2235), te wroeghen (2247), te segghen (2259), te behouden (2510), te verderven (2512), tonthouden (2601), daer en was te biten noch te eten (2684; vgl. 6679: hier en is niet teten), te slaen (2687), te weten (2705), te treden (2687), te doen (2874), te soeten (2892), te brenghen (3303), te werpen (3389), te houden (3459), te doen (3479: soen). Daartegenover slechts viermaal de gerundiumvorm: te gane (1727), te doene (2130; 3106), te sine (2203), en steeds in het rijm (doch b.v. 3479 vlg. zijn doen: soen gekomen in plaats van het oorspronkelijke doenesoene). — Hier volgen nog enkele voorbeelden, die in het eene of andere opzicht vermelding verdienen.
Mine vriende, … die mi gherne plaghen tsiene, Vad. Mus. 1, 311, 122, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1399-1410.
Om vray thoudene rijm ende zin, Franc. 135, Vlaanderen, 1320-1340.

Tontfline (te ontvlieden), L. v. J. c. 198, Brabant/Limburg, 1301?-1310?.

Tontfaen, Nijh. 2, 90, Noord-Oost Nederland.

Tsine, Brab. Y. VI, 1121, Holland/Vlaanderen/Brabant, 1432  (oft ghebeurde tsine dat enz.).

Dan beghennen die duvele tulene (d. i. te hulene), L. o. H. 4024, Brabant/Vlaanderen, 1438.

In hemelrike the sine, Lutg. I, 879, Brabant/Limburg, 1391-1400.

Met Gode te sine, 885, Brabant/Limburg, 1391-1400.

Metten ingelen te sine, 883, Brabant/Limburg, 1391-1400.

Te dienne, Rijmb. 4779; 5553, Vlaanderen, 1321.

Sine hoorne hi te roeren pliet, Nat. Bl. V, 615, Holland, 1351-1375.

Et es een visch niet goet te vane; vele listen weet hi tontgane …; hem bedaerf ooc vele te sieden (: lieden), 321.

Om te merre (d. i. meerre, uit meerne) sinen lof, Mor. 32, Vlaanderen, 1301-1400.

Om te velle (uit velne) uwe onmate, 456, Vlaanderen, 1301-1400.

Om te velle haren toren, 1290, Vlaanderen, 1301-1400.

Dinen wille te vervulle, Sp. III 3 (Maastr. fragm.), 24, 55, Vlaanderen, 1351-1400;  (ths. te vervulne).

Wulle … omme in huus te spinne ende te kemmene, Voorgeb. v. Gent 51 (a. 1350), Vlaanderen, 1337-1382.  Te wetene, daarnaast (in noordndl.) te weeten (ook tweeten, R. v. Nederst. 1, 170).

God mi selve te wetene liet dat enz., Amand II, 1850, Vlaanderen, 1430-1450.

Ooc dede hi mede te verstane van vele coningen haer leven, Rijmb. 16938, Vlaanderen, 1321  (vgl. ndl. “doen te weten”, in ambtelijke taal, naast “doen weten”).

Wy doen u the verstaene, Oorkb. 2, 248 (a. 1285)   (ald. ook: the geldene).

Toten paus van Rome te gane, hem gone dinc doen te verstane, ende enz. Franc. 1301, Vlaanderen, 1320-1340.

Si (moed) doet den hemel winnen, die werlt versmaden, groten last van penitenciën lichtelijc te draghen, Con. Som.2 342, 228, 1437  (zoo in Con. Som. inf. met en zonder te bij doen herhaaldelijk verbonden; vgl. ald. bl. 566).

Doense (lasteraars) zwighen ende doen hem te weten, dat mense niet gaern en hoort, 477, 564  (zie meer voorb. bl. 566; vgl. voor een soortgelijk geval van twee verschillende constructies, waarvan eene met te, bij Stoett, § 281 Opm. 5; vgl. ook *teschouwen en Con. Som.1 96b boven bij 10).
+15.  Te in verbinding met bijwoorden.
Aanm.
Franc. 2473, Vlaanderen, 1320-1340: “vonde de viant te sijns een haer anden mensche”  leze men tsijns, d. i. des sijns, van zijn aard of natuur. Zie Bloeml2. 2 bl. 68.
—  Meyl., Delfl. Bijl. 360 (a. 1303): “van alre pandweringhen sal men berichten alst te haer comen, es, staat te haer comen gelijk met het gewonere haercomen, “zooals het tot nu toe, tot heden (vgl. her) gebruik of gewoonte geweest is”. Vgl. hercomen, 2), kol. 373 vlg.
—  Oorkb. 2, 111b: “vas quod te lope dicitur” is te niet te begrijpen, en zal op misverstand berusten; ald. 230b staat “vas quod lope dicitur”. Zie lope.
—  Over de uitdr. tallen dien dat (Rose 215) zie bij tedien, c).