Koppelingen:
Vorig artikel: WEIDACKER
Volgend artikel: WEIDE II
GTB Woordenboeken: ONW, ONW, WNT

WEIDEI

Woordsoort: znw(v.)

Varianten: weede, wede, wey

Modern lemma: weide

(weede, wede, wey, wee (z. ald.)), znw. vr. Mnd. weide; mhd. weide, weid; ohd. weida; ondfr. weitha; onr. veidhr; hd. weide; fri. weide; ndl. weide, wei; vla. weede, wee, vgl. den geslachtsnaam Terwee naast Terwey). Zie verder over de verwanten in en buiten het Germaansch de etym. wdbn.
+1.  Voeder, voer, ook voedsel van menschen, waarschijnlijk voor zoover het uit veldvruchten of plant aardig voedsel bestaat. Voc. Cop. weide, pabulum. Vgl. fri. weide, hoog opgeladen wagenvracht hooi of andere veldvruchten, voer. Zoo kan Plant.'s “pabulum” worden opgevat.
Des morgens … ende des avonts … gaet hi (de boschhaan) ter wede (op voer uit) na siere sede, Nat. Bl. III, 2106, Holland, 1351-1375  (var. weide).
Als haer coninc (der bijen) ter weide vaert, hi es met sinen here bewaert, Nat. Bl. VII, 183, Holland, 1351-1375  (men kan deze en de volgende plaats ook brengen tot 2).

Alsi alle pinen ter weiden, so es hi dan ledech allene, 186.
+2.  Weide, weiland, beemd, grasveld; ook veld in het algemeen. Voc. Cop. weyde, pascua; ter weyden horende, pascualis. Teuth. bend (beemd), wese, weyde, wysche, mate, pasch, pascua fenifera; die totter weyden gemeynschap heft, compascuus. Plant. weyde, ham oft venne, pasturage, pasture, pastis de bestes ou un pray, pascua, pascuum, pratum, pabulum; de beesten ter weyden drijven. Kil. weyde, pascua, orum, ager pascuus vel compascuus, pratum. Vgl. mersch en made.
Wi sint sijn volc ende scape sijnre weiden, Ned. Get. 66b., Noord-Oost Nederland, 1440-1460
Om melc van der weet (weede, weide), Rek. v. Egm. f. 18r (a. 1388), Holland.

Tgoet ter Beke met husen met lande met weeden ende met anderen ghelaghen, diere toe behoren, Gendsch Chtb. 195 (a. 1323), Vlaanderen, 1821.

Men moet de tenten altemet verslaen, de weede niet verlaen, Spreuken 68, 1568.

De weyde van der stat … is tinsvry ende tyentvry, twe jaer te zayene ende terde jaer te grase te legghen, R. v. Utr. 1, 53, 101, Holland, 1340-1379.

Een cleyne kudde sijnre scapen plach sie ter weyden wt te driven ende te bewaren, Griseldis H. 5r., Noord-Oost Nederland, 1410-1430

Vruchtbaer in wijngaerden, vijchbomen, olivenbomen mit vette weye, Breidenb. 39r., Holland, 1488

Verre van sine poort hi liet sine beesten ter weiden gaen, Franc. 10214, Vlaanderen, 1320-1340.

Dat (die herde) … die schapelkine sijn ter weiden gedreven hadde an ere heiden, Lev. v. Lutg. II, 5497, Brabant/Limburg.

Als si (herten) te betre weder (varr. weiden) tiden ende sijt water sullen liden, die staerxste swemmen vooren, Nat. Bl. II, 1087, Holland, 1351-1375  (gratia pascuarum).

Brooken die geschien in heiden ende weiden, die tweedeel den heeren, Limb. Wijsd. 254, 56, Limburg, 1501-1600.

Sinen wech dat hi nam ter weyden, daer sine herden laghen met sinen beesten, Lsp. II, 3, 64, Brabant, 1340-1360.

Laet ons (stieren) vlien ende … soekewi gereet weiden, Lanc. II, 5899, Vlaanderen, 1301-1400  (ald. 5910 mersch).

Ons genoucht te scouwene ane die mersche van groenre gedane, daer scone bloemen staen, Sp. I 4, 59, 43, Vlaanderen, 1301-1325  (var. weiden).

Hare heerden vochten deen upten andren omme weede, Rijmb. 1576, Vlaanderen, 1321.

Doe baedsi (de booze geesten), dat si moesten varen in een trop swine …, die daer in die weide ghinghen, 22927, Vlaanderen, 1321  (lat. qui juxta pascebantur); ook 975.

Corcica es … een eylant … ende heeft menegen ort vul van wilden (l. weiden), Sp. I 1; 33, 47, Vlaanderen, 1301-1325.  Zoo ook Bouc v. d. Audiënc. 894 vlg. meermalen (weede, wede).
3.  In het oorspronkelijk begrip van weide waren ook jacht en visscherij besloten, zooals nog in het Mhd. In het Mnl. is hiervan geen voorbeeld opgeteekend, ook niet, naar het schijnt, in het Mnd.; maar sporen zijn er van over in verschillende samenstellingen, o. a. in weidemes (waymes, Ann. Em. 10, 431 noot, a. 1477; Kil. weydmes, culter venatorius); weydman venator, auceps (nhd. weidmann); weydsack, pera venatoria (ook weydtessche, ndl. weitasch; nhd. weidsack, -tasche); weydvoghel (ook weydelick vogel), accipiter; weydwerck, venatio, aucupatio (nhd. weidwerk); weydener, venator (hd. weidner); weydigh, venaticus, venatorius (Plant. weyigen hondt, canis venaticus; ook weydman oft jager, weydmes, weydwerck); weydsch, venaticus, venatorius; weydsch man, venator, auceps).
4.  In de vertaling van den Sassensp. heeft weide, evenals in het Mhd. en Mnd. de bet. maal (mhd. ander-, drî-, vier-, hundert-; mnd. anderweide, vêr weit; hd. anderweit). Vgl. mhd. weide, fahrt, reise; zie Kluge i. v. anderweit. — In Sassensp. 1, 144, 257 wisselen anderweide en anderwerve in varr. met elkaar af (anderwede ald. 1, 159, 285).
Aanm.
Over ingeweide (oorspr. “het door weidende dieren in zich opgenomen voedsel”, verv. “de inwendige spijsverteringswerktuigen”; ook weder “de uitwerpselen” zie Ndl. Wdb. IV, 2030 en de Wdbb. van Franck-Van Wijk, Kluge en Paul.
—  Het woord gewei “horens van een hert” heeft een geheel anderen oorsprong; zie Ndl. Wdb. IV, 2029; Franck-Van Wijk op het woord.