Koppelingen:
Vorig artikel: thennen
Volgend artikel: thes

*therren

Woordsoort: ww., zelfst., intr., zw.

Modern lemma: dorren

Oudste attestatie: 1175

Frequentie: totaal: 1, appellatieven: 1

Etymologie: De onl. vorm is gereconstrueerd op basis van ofra. tarir 'opdrogen', dat een ouder onl. *tharjan 'verdorren' voortzet. Na -j-geminatie en umlaut ontwikkelt zich hieruit onl. *therren, de vorm die overeenkomt met ohd. therran 'uitdrogen'. De ontlening heeft voor de werking van de umlaut plaatsgevonden. In het latere Nederlands is het woord vervangen door het denominatief dorren. Cognaten: Oudhoogduits  therran  ‘uitdrogen’, derren  ‘doen verdrogen’, Middelhoogduits  derren, Nieuwhoogduits  dörren.

Morfologie: afleiding, basiswoord (adjectief): ther ‘dor’. Denominatief.

Flexie:  infinitief  *therren  (1)
1. Verdorren, verdrogen.
*therren // tarir.  Verdrogen.   FEW XVII, 393 Noord-Frankrijk, Noord-Frankrijk, 1175.
Literatuur:
EWA II 605-607