Koppelingen:
Vorig artikel: trachten
Volgend artikel: traechheit
Spreidingskaart: traag

TRAECH, TRAGHE

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: traag

Middelnederlandsch Woordenboek: traech

Oudste attestatie: Limburg, 1240

Frequentie: totaal: 51, lexic.: 8, ambt.: 1, lit..: 42

Aangetroffen spelling: trach, traech, trag, trag(h)e, tragher (comp.), trah, treg(h)e (met e a door umlaut)

Spreiding: De vormen met -e- zijn afkomstig uit Brabant-West en Limburg.

Flexie: ns trege
ns mannelijk traghe
ds vrouwelijk tragher, treger
ds onzijdig tregen
as onzijdig traghe
ap trag(h)e
voc.pl. trege
pred. tra(e)ch, trag, trah, traghe, tragher (comp.), treg(h)e

Korte betekenis: traag; lui; op trage wijze uitgevoerd; niet sterk van werking

+1. M.b.t. personen.
+2. M.b.t. zaken.