Koppelingen:
Vorig artikel: David
Volgend artikel: dea I

de

Woordsoort: lidw. bep., m./v.

Modern-Nederlandse lemmavorm: de

Uitspraak:

Datering: 1800→

Commentaar: in de eerste helft van de 19e eeuw spor. gespeld als dy, di [di]?, [də]. HALB., Lex. 648 [a. 1869] maakt onderscheid tussen di, art. defin., en dy, pron. dem. & rel.

Dialect: Schiermonnikoogs, Terschellings, Hindeloopens də.

Commentaar: Gen. sing. masc. (verouderd, des [dɛs]. Na vooral eenlettergrepige prep. met als slotklank een consonant 'e [ə], in vaste uitdrukkingen ook wel '-en [ən], den [dən], der [dər], 'er [ər] (zie bet. 2). Gen. plur. verouderd) der [dər].

Etymologie: Nederlands de, Duits der, Engels the.

+De.