Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: BONT II Volgend artikel: BONTEN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

BONTIII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: bont

znw. onz., mv. -en (in de bet. 2). Mnl. bont, mnd. (nhd.) bunt. Zoogoed als zeker hetzelfde woord als het vorige, in bijzondere toepassing. Het bnw. bont, gevlekt, van dierenhuiden gezegd, werd in de Middeleeuwen inzonderheid toegepast op de witte buikvellen met grauwe (witgrijze) randen, in tegenstelling met de effen grauwe rugvellen, van den Russischen eekhoorn in zijn winterkleed (fr. petit-gris); verg.: ”Grâ in daz wîze gemenget macht daz ein varwe geheizen si bunt” (aangeh. bij SCHULTZ, Höf. Leben im MA. 1, 357). Deze vellen waren vanouds zeer gezocht als pelswerk; vandaar mnl. grau ende bont, mhd, grâ unde bunt (fr. vair et gris) als benaming van de dracht der rijken, nog in de 16de eeuw: zie VERDAM en b.v. Trou m. bl. 195: ”Treckt vuyte u flaweel, u zyde, u grau, u bont”. Later is de naam uitgebreid tot alle pelswerk, hetzij bont of effen grijs, of ook buin, zwart enz.Verg. fr. vair en it. vajo (van lat. varius), nhd. fech, fehe (van ohd. fêh, veelkleurig), alle drie namen van (grijs) pelswerk. Het schijnt derhalve onnoodig, wegens de bezwaren tegen de afleiding van het bnw. bont, den oorsprong van dit znw. bont te zoeken in magyaarsch, servisch, boheemsch bunda, pelswerk (waaruit het bnw. zijne bet.: veelkleurig dan eerst later ontwikkeld zou hebben), of in mlat. (mus) ponticus, hermelijn.
+1.  Als stofnaam. Het vel van zekere zachtharige dieren, inzonderheid eekhoorns, hermelijnen, sabels, dassen, marters, bevers, otters, doch ook wel herten, vossen, hazen, konijnen enz., met het haar er aan bereid en gebruikt als verwarmende winterkleeding; pelswerk, pelterij.
Bont, bonte vellen. Panne, fourrure. Pelles, pellium,   PLANT. [1573].
— De kleeding der mannen en vrouwen is … gemaekt van Reevellen … Het haer of bont dragenze buiten,   DE BRUYN, Reizen 2, 6 a [1714].
Bont van zobels, vossen en andere vellen,   REITZ, Rusl. 1, 281.
De lantstreek … (is zeer gezegend) van alle soorten van bont, voornamelyk een schoon slag van grys of wit bont,   1, 282.
+2.  Met mv., als benaming van verschillende soorten of stukken der onder 1) genoemde stof.
't Landt Jesso …, daer kostelijcke Bonten, ende Peltwerck valt,   Begin e. Voortg. 21, 126 a [ed. 1646].
Dat voortaen geen bonten ofte pelteryen hier ter Stede sullen mogen geverft ofte vervalst worden,   Handv. v. Amst. 1401 a [1635].
Geen dier van ons gewas (d. i. inheemsch) en draegt'er schoone vellen, Wie kan noch evenwel hier al de bonten tellen?   CATS 1, 354 b [1625].
Afl. Bonten (zie ald.).
Samenst. In de bet. 1). Bontkist, groote, veelal met koper beslagen kist ter bewaring, gedurende den zomer, van het pelswerk
bontvair, in de wapenkunde, de voorstelling van zekere alleen bij de Engelschen gebruikelijke soort van pelswerk (zie RIETSTAP, Handb. 94 )
bontwaren, mv. (”Dat de Uytdraagsters, oud en reeds gedragen Bont-waeren zullen mogen verkoopen”, Handv. v. Amst. 1402 a [1690]
bontwerk (Handv. v. Amst. 1402 a [1690])
bontwerken, het bereiden van pelswerk (”Het bontwerken wel verstaan”, MARIN), bij BREDERO 1, 261 [c. 1612] in obscoene toepassing (verg. HUYGENS 1, 602 [1653]) (”Ja ick ken neyen by daagh, en bondt-wercken by nacht!”(a°. 1892)
bontwerker (zie ald.).
— Als tweede lid. In de bet. 1). Apenbont, beverbont, dassenbont, konijnenbont, marterbont, otterbont, tijgerbont, vossenbont enz. (”Onder de Pelterijen noemt men het spierwit Ermelijn, het roode vossenvel, het zwart, grijs, graauw, Otterbont, de Sabel-, Hazen-, Konijnen- en andere vellen, niet om de kleur, maar om de zachtheid en verwarmende eigenschap, bont”, BERKHEY, N.H. 4, 2, 204 [1805]).

Aanvulling bij BONTIII

Samenst. Bontjas. 1°. Met bont gevoerde heerenoverjas.
  V. DALE [1950 ].
2°. Bontmantel (voor dames).
  V. DALE [1950 ].
— Hij gunde 't haar, hij was al trots bij de gedachte, dat zijn vrouw ook 'n bontmantel droeg. 'n Bontjas was de laatste jaren wel ”algemeen” geworden, doch het stond zo mooi, het gaf 'n illusie van rijkdom en Jaan was het waard, in alle opzichten,   OTT, Gew. Man 427 [1937].
Lydia als altijd in die dure bontjas,   J. CAMPERT, Slordig Beheer 58 [1941].
Bontkraag, kraag van bont.
  V. DALE [1950 ].
— Een matroos klimt omhoog in het kraaiennest. Dik in de kleren. Een bontkraag op de jas. Zware wanten aan de handen,   FENAND V.D. OEVER, Moeder 140 [1952].
Bontmantel, mantel van pelswerk.
  V. DALE [1950 ].
— Ik zag er verpieterd uit …. In een winkelruit zag ik me wat armoeiïg naast mijn zeer mondaine zuster in bontmantel voortbewegen,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 2, 92 [1921].
Wie ruilt mooie zwarte fluweelen mantel … voor bontmantel …, desgewenst toepassing van geld,   Leidsch Dagbl. 17 Maart 1943.
Bontmuts, muts van pelswerk.
  V. DALE [1872 ].
— Mutsen of heel kleine toques van stroo of vilt zijn 's zomers, kleine bontmutsjes in den winter het doelmatigst,   V. WESSEM, Kostuumn. 326 [1908].
  N. Rott. Cour. 23 Dec. 1961, 8.
Bontwerkerij, bontwerk, pelswerk, pelterij.
  V. DALE [1976].
Bontwerckerie ofte Pelterie, dat vertolmen met die packmande, ende vertolmen van de packmande,   in MARCUS, Sentent. 406 [1569].
De Bondwerkery der Chevaliers d'Industrie,   DOEDYNS, Merc. 1, 672 [1698].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.