Koppelingen:
Vorig artikel: CONFISQUEEREN Volgend artikel: CONFITURIER

CONFITEOR

Woordsoort: znw.(m.,v.,o.)

Modern lemma: confiteor

znw. m., vr. en onz., mv. -s. Uit lat. confiteor, eerste woord van de schuldbekentenis in de R.-K. liturgie.
+ (R.-K.) Naam van de schuldbekentenis die in de misliturgie wordt afgelegd voor de treden van het altaar, voorafgaand aan den Introïtus.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  V. DALE [1872 ].
— Daer na soe volghet den ghenen die dat Ambacht der heiliger missen beghint Ende leest die confiteor mit alle dit lieve gheselschap, een mach lusten die dit sicht,   in Bijdr. Gesch. Haarlem 11, 34 [1525].
Den Priester met zijn geestelijck gewaed, ende de dienaers met hun dienst-rocken gekleed, hebbende beneden den Confiteor geseyd, gaen op,   SURIUS, Pelgrim 162 [1653].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.