Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DADING Volgend artikel: DAG II
Etymologie: EWN, EWA
Dialect: WVD
GTB Woordenboeken: MNW

DAGI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: dag

znw. m., mv. dagen, verkl. dagje en daagje. Mnl. dach, mnd. dag, ohd. tac, mhd. tac, got. dags, on. dagr, os. dag, ags. dæg, eng. day. Buiten het germaansch beschouwt men als verwant sanskr. dáhati, hij brandt en nidâghá-, hitte, zomer, lith. dágas, oogst enz.
+1.  Het lichte deel van een etmaal; in engeren zin: de tijd dat de zon boven den horizon is, in ruimeren zin met inbegrip van ochtend- en avondschemering.
Ick mercte hier dat sy d'licht seer ontsaghen En dat sy seer vloden de clare daghen,   V. D. NOOT 135.
Die op den dach van zijne Wacht droncken sal wesen, sal gecasseert … werden,   Gr. Placaetb. 2, 178 [1590].
Het verkorten der dagen en nachten, zoo als de Russen hunne rekening daaromtrent maken,   DE BRUYN, Reizen 2, 45 b [1714].
Tegen den avondt kregen wy regen, die tot 2 uren voor het ryzen van den dagh bleef duren,   2, 125 a.
't Licht des daags, van 't wolkenfloers omhangen,   BILD. 2, 130 [1803].
Om als dan een' dag op het door u aangekocht Buitengoed door te brengen,   LOOSJES, Bronkh. 6, 368 [1807].
De groote dag (brak) aan …, waarop de fancy-fair op den Huize Hardenstein zou worden gehouden,   V. LENNEP, K. Zev. 2, 190 [1865].
Toen zij den volgenden morgen opstond en het dag was, vond zij, dat enz.,   4, 76.
+2.  Het aanbreken van den dag, de dageraad.
Des morgens voor dage kregen moye koelte uyt den N. W.,   Begin e. Voortg. 12, 41 b [ed. 1646].
De wind (begost) … 's morgens voor dag, zoo op te steeken …, dat enz.,   BRANDT, De Ruiter 62 [ed. 1687].
Verder op, daar spleet de dag scheuren in den nevel; de lantarenlichten begonnen te verarmen,   V. LOOY, Proza 67 [1889].
+3.  Daglicht, zonlicht, licht.
+4.  Een tijdperk van 24 uren, beginnende en eindigende te middernacht; etmaal. Vaak in eenigszins vrijer gebruik, t.w. voor een niet nauwkeurig bepaald, kort tijdperk. Voor eene bijzondere toepassing zie bij 7).
(Zij) worden genomineert ende gestelt by de Majesteyt … vuyten keuse die de seven geslechten der voorscreven stadt, elff daghen voer Sint-Jansavont, der voorscreven Majesteyt … overseynden,   Cost. v. Brussel 1, 2 [1570].
Tot Bredaa gekoomen, braght hy eenen dagh, oft twee toe, met zyn' huiszaaken te schikken,   HOOFT, N.H. 144 [1642].
Gy selt den dach niet leven dat gy jou bienen selt by my ondersteken,   BREDERO 1, 290 [1613].
Terwijl sy … veel dagen besich waren om dese 1200. Slaven op te brengen,   Begin e. Voortg. 13, 19 a [ed. 1646].
Een Termyn van 14 Dagen,   Keuren v. Haerlem 1, 3 a [1751].
Geen dag gaat er om, of er wordt geklaagd over het rooven en stroopen,   V. LENNEP, Rom. 9, 92 [1838].
De dagen liepen zoo goed als over een ijsbaantje,   ST. STREUVELS in Vlaanderen 1, 491.
+5.  Het mv. dagen wordt gebruikt voor een tijdperk van min of meer langen duur, waarbij niet meer aan de afzonderlijke dagen, waaruit het bestaat, gedacht wordt.
In vroeger dagen … was de benaaming van Arre- of Narresleden onbekend,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 254 [1779].
Verhalen, die te voren, in de dagen onzer jeugd … onze Rede in de war bragten,   V. HEMERT, Lekt. 7, 10 [1806].
In dagen van kiesstrijd en telkens als ze mij noodig hebben …, weten ze mij wonen,   LOVELING, Sophie 346 [1885].
+6.  Vervolgens wordt ook het enkelv. dag in denzelfden zin gebruikt.
+7.  Een dag, een datum voor eene rechtshandeling vastgesteld. Dit gebruik is in het algemeen verouderd.
De ghevangene vermach den dach vander Vierscharen t'anticiperen, ende den Officier doen daghen in Collegie voor Borgemeesteren ende Schepenen,   Cost. v. Antw. 2, 36 [1582].
In alle … gevallen, waarin … word geprocedeerd tegen onbekende, zal de Dag van Rechten worden gelegd ten minsten op zes Weeken, aanvang neemende met den Dag van het doen der Citatie,   Keuren v. Haerlem 1, 3 a [1751].
8.  Termijn.
Soo wanneer imant … eenige Coopmanschappen verkoopt op dagh aen eender, die onlangs daer naer … komt te failleren,   Handv. v. Amst. 505 a [1617].
Ick spreke voor de schuld, ick borge voor 't gelagh, Voor 't dubbel woeckerloon op weinigh' jaren dagh,   HUYGENS 1, 83 [1622].
Zullende ook, zo wanneer Erfgenaamen gedagvaard worden, om een Handschrift van den Overledenen te kennen of te ontkennen, aan dezelve Dag van beraad … mogen worden vergund,   Keuren v. Haerlem 1, 9 b [1751].
9.  Uitstel.
Anhoort de vytte … Up datse hu te bet ghelden mach. Gheift een jaerkin dach, of yedt jnden steert,   EVERAERT 60 [1511].
Neimge zo langhe dach dat zal noch lanc zyn,   EVERAERT 255 [1530].
Geeft my noch dach Om mij te beteren,   A. BIJNS 386.
Sonder eenigh dagh of dilay te mogen nemen,   Handv. v. Amst. 595 a [1517].
Op den derden der maant, leeverden … zes Gemaghtighden der stadt Uitrecht eenen brief oover …, en verzochten 'er goedt en onverwylt antwoordt op. Doch men nam 'er wat daghs aan, om de zaak eerst in de Vroedschappen der steeden te laaten ooverweeghen,   HOOFT, N.H. 1206 [c. 1645].
De Conclusien (zullen), wanneer Dag genomen is geweest, altyd in Scriptis moeten worden overgeleverd,   Keuren v. Haerlem 1, 9 a [1751].
Dat een Gedaagde …, ten dage dienende, compareerende, gehouden zal wezen terstond te antwoorden, zonder daar toe dag of eenig dilay te genieten,   1, 9 b [1751].
Verschynt 'er iemant, die zig Eigenaar stelt, … dan neemt de Fiskaal dag, om eisch te doen,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 1, 357.
10.  In samenstellingen: eene (oorspr.: eene tegen een bepaalden dag uitgeschreven) vergadering met rechterlijke of staatkundige macht.
Afl. Bedaagd, daagsch, dagelijk, dagen (2de art.), gedaagd (zie die woorden).
Koppel. In de bet. 1) in Overdag (zie ald., 2de art.).
Samenst. afl. In de bet. 4) in anderdaagsch en derdendaagsch (zie die woorden).
Samenst. — A) Als tweede lid, in de bet. 1) in Middag (zie ald.).
— In de bet. 4) in de namen van de dagen der week en van feestdagen, als in Zondag, Maandag, Paaschdag, Kerstdag, Nieuwjaarsdag (zie die woorden of het eerste lid).
— In de bet. 1), 4) of 7) in benamingen van allerlei soorten van dagen, als in Aanteekendag, dag waarop men in ondertrouw is opgenomen; de datum van iemands ondertrouw
bededag (zie ald.)
betaaldag (zie het eerste lid)
bezoekdag, dag waarop (b.v. in een ziekenhuis) bezoeken worden toegelaten
beursdag, dag waarop beurs gehouden wordt
biddag, boetedag, bruiloftsdag, congresdag, coupondag, dankdag, deeldag, examendag, familiedag, feestdag, geboortedag, gedenkdag, gerechtsdag, heiligedag, herfstdag, inwijdingsdag, kamerdag, kijkdag, klaagdag, kliekjesdag, kroningsdag, lappendag, lentedag, ligdag, losdag, lotingsdag, marktdag, nadag, naamdag, najaarsdag (zie die woorden of het eerste lid)
ontvangdag, dag waarop bezoeken bij voorkeur worden afgewacht
oordeelsdag, oorlofsdag, openingsdag (zie die woorden of het eerste lid)
oranjedag, dag waarop ter eere van het oranjehuis wordt feestgevierd
overdag, pleegdag, poetsdag, rechtsdag, schoonmaakdag, sterfdag, trekkingsdag, trouwdag, uitgaansdag, vacantiedag, vastendag, verbodsdag, verhuisdag, verjaardag, verkoopdag, vervaldag, vierdag, vischdag, voorjaarsdag, waschdag, weekdag, werkdag, winterdag en zomerdag (zie die woorden of het eerste lid) enz.
— In de bet. 10) in Landdag en rijksdag (zie die woorden of het eerste lid).
B) Als eerste lid in Dagblad, dageraad, daghuur, daglicht, dagloon, dagschaar, dagteekenen, dagwerk (zie die woorden) en verder in
Dagbepaling (8), termijn.
Op zulke daghbepaaling, als men naaderhandt moghte goedt vinden,   HOOFT, N.H. 948 [c. 1645]  (kantt. termijnen).
Dagblindheid (1), eene oogziekte, die maakt dat men bij dag niet of slecht zien kan.
Dagbloem (1), andere naam voor de haagwinde, Convolvulus sepium (HEUKELS 74 [1907]).
Dagbodin, dageraad.
Siet de Dagh-bodinn' haer recken, Recht al schoot sy uyt den vaeck,   HUYGENS 1, 97 [1621].
Dagboek (4). — 1°. Boek waarin men aanteekeningen maakt over de gebeurtenissen van den dag.
Op dat hy een-mael de dagh-boecken van eens yders leven geopent hebbende, daer naer een sluyt-vonnisse uyt-spreke, over levendige ende doode,   DE BRUNE, Grondst. 28.
Den toenmaligen vreedzamen aanblik der stad (Antwerpen) vindt men nergens beter geschilderd dan in het dagboek van Albrecht Dürer,   BUSKEN HUET, Rub. 154 [1879].
Ik heb mij dikwijls afgevraagd, hoe het toch komt, dat dagboeken en brieven zoo veel prettiger zijn om te lezen dan de meeste gedichten, romans enz.,   V. DEYSSEL 4, 285.
2°. Boek waarin een koopman posten dagsgewijs inschrijft.
Door de hand van eenen der Leden van de Broederschap (wordt), wegens de bestiering … van alle de Kerkelyke goederen, zoo wel het Dagboek, als het Grootboek, … gehouden,   V. ALPHEN, in V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 1027 b.
Elk koopman is verpligt dagboek te houden, waarin van dag tot dag, naar orde des tijds … moeten worden aangeteekend enz.,   W. v. Kooph. a. 6.
3°. Een boek dat voor elken dag eene stichtelijke beschouwing bevat.
Hierbij weder de samenst. afl. Dagboekhouder (”Dat de onderwindingen … slechts lichte aanloopen, om te bezightighen …, en geen' rechtgemeinde stormen om de stadt t'ooverrompelen geweest zyn; hoewel zy hier voor, by der steedelingen daghboekhouders, geacht werden”, HOOFT, N.H. 1170 [c. 1645]) en de samenst. Gerechtsdagboek (”De Resolutie van … Die van den Gerechte deezer Stad, van den 6. November 1760., waarby dit alles is bepaald, wordt gevonden in het Gerechtsdagboek”, V. ALPHEN, in V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 1043 a).
Dagbroer (1) sinterklaaspop, een groetenden zot of harlekijn voorstellend (die dus ondersteld wordt ”dag broer” te zeggen).
Vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, alle meestal van de eerste grootte,   BEETS, C.O. 168 [1840].
Dagcedul (1 of 4), briefje met rekening, afrekening of opgave over een dag.
Welke Commis van den Ontfanger Generaal … geen Ordonnantiën, Bestekken, Acten of Dag-cedullen van eenige Werken (sal) moogen betaalen, ten sy dat … by de Commisen van de Ammunitiën op de rugge van deselve geteykend sy,   bij DIBBETZ, Milit. Wdb. 321 b [1605].
In de landteekens ende dagcedullen, die de brouwers aan de Chyskamer senden, (zullen) geschreven moeten staan de maand ende het jaar,   Utr. Placaatb. 3, 991 b [1655].
Dagdief (1), iemand die zijn tijd verluiert, inzonderheid terwijl hij voor tijdloon bij een ander in dienst is.
R. Daar mankeert nog een knipje, ik zal eens na huis loopen. … Ik zal hier opstaande voet weêr zyn, terstond. C. Vleegel, dagdief!   V. HALMAEL 3, 52.
Zou ik als Ambagtsman bij iemand Dagdief heeten?   B. BOSCH, Eigenb. 22.
Melis …, een leeglooper, een dagdief,   V. LENNEP, Poët. 10, 243 [1849].
Ik zal hem eens duchtig onder handen nemen, dien guit, dien schelm, dien dagdief,   SLEECKX 3, 161 [1843].
Hierbij weder de afl. Dagdieven (”Maak toch, dat zy aan 't werk blyven, op dat ze niet Dagdieven, dat is toch dat volk haar aard”, DE RIJK, Dagd. 42; zie ook V. HOUCKE, Loodg. 173 [1901]) en dagdieverij (”Ik ontken niet dat wel eens een timmerman in de lange heete zomerdagen, een weinig by zyn schaafbank stilstaat; dat een metselaar een dagdieverytje pleegt”, WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 369 [1789]).
Dagdienst (1). — 1°. Eene dienstverrichting die een dag duurt.
De … door de inlandsche bevolking in heerendienst gepresteerde dagdiensten,   Kolon. Versl. 1899, 89 b.
2°. Dienst bij dag (in tegenstelling met nachtdienst).
Doorloopende dagdienst, de toestand dat den geheelen dag dienst wordt gedaan (b.v. op een postof telegraafkantoor).
Dagdienstbode (1), hetzelfde als dagmeisje (zie ald.).
Dagdroomer (1), iemand die overdag droomt.
Wie datter een luy-dagh-droomer is, die niet en begheert dan te slapen, die is enz.,   Veelderh. Gen. Dicht. 149.
Daggedruisch (1), gedruisch aan den dag eigen.
't Daavrend daggedruisch,   BILD. 5, 131 [1817].
Een stilte, diep en doodsch, vervong het daggedruisch,   LULOFS, Ged. 1.
Daggeflonker (2).
By 't eerste daggeflonker,   BILD. 4, 371 [1795]
 (zie ook BILD. 8, 425 [1793]; en ook Dl. IV, 774) .
Daggeld (1). — 1°. Loon dat per dag berekend wordt, het loon voor een dag werkens.
Over eenige jaren was 't daggeld van een werkman algemeen twee franks,   J. V. RIJSWIJCK 3, 110.
Duizende arbeiders …, die hun bestaan in nog iets meer vonden dan in hun hoog daggeld alleen. Want schromelijk was hunne oneerlijkheid,   P. N. MULLER, in Gids 1864, 1, 49.
In daggeld werken, tegen per dag vastgesteld loon.
Sonder dat die Brugh-meester vermogen sal van dies yet aen te besteden, te koopen, ofte in dach-gelden te laten wercken,   Gr. Placaetb. 2, 354 [1599].
De Maaijers verhuren zich tot dat werk in daggeld, of nemen het maaijen van het hooiland per morgen of in zijn geheel aan,   BERKHEY, N.H. 9, 185 [1811].
2°. Vroeger in toepassing op de vergoeding per dag toegekend aan personen met tijdelijke opdrachten belast; vacatiegeld, presentiegeld enz.
Indien de voorz goederen (die verkocht moeten worden) buyten de Stad, ende de Vryheid van dien gelegen zyn, sullen (de Makelaars) hebben, ende genieten voor daggeld, ende verteeringe drie gulden,   Utr. Placaatb. 3, 868 a [1687].
Ampten of Officien …, die jaerlijcks aen Tractement, Dagh-gelden of Emolumenten renderen vier honderdt guldens,   Gr. Placaetb. 4, 900 a [1695].
Dat (de Commisen Generaal van de Convoyen en Licenten) … omtrent de daggelden en reiskosten egaal met de Ministers van de respective Collegien ter Admiraliteit moogen declareeren,   6, 1337 b [1727].
Dat de … Heeren Commissarissen uit hunne … Daggelden ook sullen moeten onderhouden, en van Logement voorsien twee Amanuenses,   6, 1119 a [1730].
Hierbij weder de afl. Daggelder (”Men vindt ook onder onze Landlieden … vele menschen, welke zich tot het verrichten van allerlei boerenwerk, als spitten, ploegen, zaaijen, maaijen, slooten enz. verhuren, en daggelders genaamd worden”, BERKHEY, N.H. 9, 185 [1811]; ”Zijn recht toch is: in de stad te gaan wonen en het grootste deel van het door zijne arme pachters en daggelders zuur verdiende goed … te verkwisten”, V. EEDEN, Stud. 4, 265 [1901]).
Daggelijk (3), gelijk aan het daglicht.
Onlanx gheleden … dat de silv're Maen … Haer daghgelijcke glans te geven eerst begon,   STARTER 122.
Daggetijden (1), zie de aanhaling.
Onder officium, of vollediger gezegd officium divinum, verstaat men in de taal der Kerk de Nacht- en Daggetijden, welke dagelijks door de geestelijken en kloosterlingen, hetzij door meerderen te zamen, hetzij door ieder afzonderlijk, gezongen of gebeden worden,   FRUIN, Geschr. 7, 248 [1882].
Daggewoel (1), het gewoel waarmede de dag gepaard gaat.
De slaap verkwikte alom natuur van 't moeylyk slaaven, van 't rustloos daggewoel, in zachte zorgloosheid,   LESCAILJE, Meng. 2, 242.
Daghelder (1), zoo helder als de dag.
't Was mij ook alleen maar te doen, om dag-helder te bewijzen, de eenvoudige stelling: dat enz.,   KLOOS, N. Lit.-Gesch. 2, 214.
Dagkaars (1), de zon.
Uw' droomen kosten geld, de mijne niet een' duyt, En dueren, dat ghy 't weet, al gaet de dagh-keers uyt,   HUYGENS 1, 387 [1651].
Dagkaart (4). — 1°. Toegangskaart, die gedurende een dag geldig is.
2°. Als vertaling van fr. carte du jour, kaart waarop de dien dag in een restaurant verkrijgbare spijzen vermeld staan.
Dagkapel (1), vlinder die overdag rondvliegt.
De geslagten der Dag- en Nagtkapellen,   BERKHEY, N.H. 3, 23 [1772].
Een bontgevlerkte dagkapel,   BILD. 10, 173 [1820]
 (zie ook BILD. 7, 86 [1810]) .
Dagklaar (1), zoo klaar als de dag.
Hier moet een yder dagklaar zien Gods groote en wondere oorlogsdaaden,   LESCAILJE, Meng. 1, 44.
Uit dit voorbeeld (blijkt) weêr dagklaar de waarheid, dat enz.,   V. DEYSSEL 2, 107.
Dagklaarte (1).
Een laatste schijn van dagklaarte verlichtte nog … het … gelaat der … vrouw,   LOVELING, Idon. 108 [1891].
Bij de eerste dagklaarte verlaten zij … hun woning,   WATTEZ, Koningsk. 63.
Dagkoekoeksbloem (1), naam van eene plant uit de familie der Caryophylleae, Melandryum rubrum. Eene andere soort heet: avondkoekoeksbloem.
Dagkriek (1) (zie Dl. VIII, 198).
Dagkwartier (2), hetzelfde als dagwacht in de bet. onder 2°.
Wy wenden 't van den wal, ende int dach quartier van den vierden Augusti weder nae de wal toe,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 4 a [1598].
Den 26. dito in 't dach-quartier harden regen, ende wint uyt den N. W. gekregen …, voor den vroech-kost weder t'zeyl gegaen alsoo den wint W. ten Zuyden wiert,   Begin e. Voortg. 12, 45 b [ed. 1646].
Daglegging (7), opontbod voor het gerecht, daging.
Binnen der Stadt Deventer, sal … in alle Burgerlicke saken geen anderen inganck der Gerichten genomen worden, dan met dach-legginge, besaete ofte arrest, pandinge ende inleydinge,   Recht. v. Deventer II, 2, 1.
De dach-legginge sal een gesworen Roedendrager aen den gedaechden voor hoofts doen, ende soo men hem voor hoofts niet soude connen aentreffen, sal de dach-legginge … aen sijne behuysinge … geschieden,   II, 2, 3.
Daglelie (1). — 1°. Naam van de planten van het geslacht Hemerocallis (HEUKELS 117 [1907]).
2°. Andere naam voor de haagwinde, Convolvulus sepium (HEUKELS 74 [1907]).
Daglijst (1 of 4). — 1°. Over een dag opgemaakte lijst.
Een daglijst … van al de vreemdelingen, die de grensplaats waren binnengekomen,   SCHIMMEL 1, 85 a [1853].
2°. Eene lijst waarop aanteekeningen betreffende iederen dag bijeengevoegd worden.
De naarstigheid der Hollanderen … heeft deeze uitwerkingen van Ebbe en Vloed, op de voornaamste plaatzen deezer Kusten, in naauwkeurige daglysten gebragt,   BERKHEY, N.H. 1, 211 [1769].
Dagmaal (1), reeds in het Mnl., oorspr. de tijd van een dag en vandaar: een stuk land dat in één dag bewerkt (beploegd?) kan worden, eene oppervlakte van 25 of van 32, 49 aren; zil, zille (zie CLAES, Bijv. op TUERL.).
Dagmaar (4), bericht over de gebeurtenissen van den dag; in de tweede aanhaling als naam eener courant.
De dagmaaren des Roomschen volks worden te zinlyker in de wingewesten, in de leegers, geleezen, om te weeten, enz.,   HOOFT, Tac. 298 [c. 1635].
Ik heb geen Post van Staat noch Dagmaar op te stellen,   BILD. 13, 22 [1791].
Hierbij weer de samenst. Dagmaarschrijver, courantenschrijver (”Het is niet genoeg, met de oprechtheid van een' eerlijken Dagmaarschrijver, te zeggen, dit is gebeurd”, BILD. 15, 103 [1804]).
Dagmaat (I) (1), de voor een dag noodige hoeveelheid.
Ick sal voor u-lieden broot uyt den Hemel regenen; ende het volck sal uytgaen, ende versamelen elcken dagh-mate op sijnen dagh,   Statenb., Exod. 16, 4 [ed. 1688].
Dagmaat (II) (1), onz., reeds in het Mnl.; oorspr.: het in een dag gemaaide en vervolgens: zooveel land als iemand in een dag kan maaien, t.w. een halve morgen. Veelal in min of meer verbasterde vormen, verg. de aanhalingen en zie ook bij DEIMT.
Onder Soest: 3 perceelen Hooigewas, … Een perc. dito, groot min 11/2 dammaat … Een perc. dito, maatland, groot ruim 33/4 dammaat aan de rivier de Eem,   Gooi en Eemlander, Juni 1889.
Een dammet lands,   Amersf. Cour. v. 25 Sept. 1855.
Dagmaat (III) (3), afmeting aan de lichtzijde.
Te koop: Ramen met Spiegelglas. Dagmaat drie stel 2.25 × 1.17 M.,   Leidsch Dagbl. v. 7 Sept. 1896.
Dagmaking (9) verleening van uitstel.
Brieven van genaade, vergiffenisse, wettighing, daghmaaking … en diergelyke,   HOOFT, N.H. 1040 [c. 1645]  (kantt.: atterminatie).
Dagmarsch (1), afstand die een leger in een dag aflegt of kan afleggen.
Geen dagmarsch scheidde dit (t.w. het leger) weldra meer van de stad,   V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 221 [1871].
In groote dagmarschen trokken zij Friesland door,   FRUIN, Geschr. 2, 102 [1868].
Dagmeisje (1), dienstbode die alleen overdag of een deel van den dag in haar dienst is.
Dagnaam (4).
Nademaal de Woensdag is geconsacreert aan Mercurius, gelyk als uit de Latijnsche dagnaam blykt, zoo is dezelve enz.,   DOEDYNS, Merc. 1, 1 [1697].
Dagorde (I) (1 of 10), volgorde waarin verschillende zaken op een dag, op eene vergadering of binnenkort aan de orde komen; lijst der te behandelen onderwerpen of der te verrichten werkzaamheden.
Dat zij Nicolette (de kinderjuffrouw) had doen ontbieden, en de dagorde, welke zij haar voorschreef, opzettelijk zoo veel verzwaard had als dienen kon om enz.,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 49 [1865].
Wij willen … de taalverdrukking … doen ophouden; en onze dagorde vraagt juist: welke zijn de middelen daartoe,   VUYLSTEKE, Prozaschr. 2, 251.
Met de zwarte penneletters deed hij (de meester) ze daar de dagorde in schrijven (t.w. in een cahier), voor elke week dezelfde,   V. DEYSSEL 4, 16.
Op de dagorde staan, voor spoedige behandeling in aanmerking komen.
De kiesrechtkwestie staat al sinds jaren op de dagorde.   poëem WNT
Dagorde (II) (1), zie de aanhalingen.
Een seker Priester met name Zacharias, van de dagh-orden Abie,   Statenb., Luc. 1, 5 [ed. 1688].
Als hy het Priester-ampt bediende voor Godt in de beurte sijner dagh-orden,   Statenb., Luc. 1, 8 [ed. 1688].  (Statenb., Luc. 1, 5, kantt. 12 [ed. 1688]: Gr. Ephemeria, het welck hier beteeckent een seker orden of klasse van Priesteren, die onder een hooft stonden, ende eenige dagen des jaers op hare beurte den Godtsdienst in den Tempel moesten waernemen, van welcke de orden van Abia de achtste was).
Dagordening (1), dagorde.
Hij (een predikant) was voornemens, om, in de beurt zijner dagordening, zoo noemde hij het, dat stuk eens volledig te behandelen,   LOOSJES, Lijnsl. 4, 307 [1808].
Dagorder (1). — 1°. Eene afkondiging van de bevelen enz. door een militair gezaghebber voor den loopenden dag gegeven.
2°. Eene afkondiging van welken aard ook, van een militair gezaghebber uitgaand.
Nadat aller borst met het eereteeken versierd was, las de Generaal … de navolgende dagorder voor: enz.,   V. D. PALM, Red. 5, 226.
De Prins van Oranje legde het opperbevel over de Britsche en Nederlandsche krijgsmacht in de Nederlanden op den Tienden April neder bij een Generale Dagorder,   BOSSCHA, Lev. v. W. II 263 [1852].
Bij afzonderlijke dagorder is wegens betoonde bijzondere dapperheid eervol vermeld de sergeant X.   poëem WNT
Dagploeg (1), in bedrijven waar dag en nacht gewerkt wordt: de ploeg arbeiders die overdag werkt.
De dagploeg komt 's morgens om zes uur op.   poëem WNT
Dagregister (4), boek waarin door een gezaghebber of openbaar persoon, die aan lastgevers elders verantwoording schuldig is, de gebeurtenissen van elken dag worden opgeteekend, dagboek.
DaghRegister gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-India,   Titel van een geschrift.
De selve Commandeur verhaald in sijn dag register van het Jaar 1682. dat sij op den 1 Junij enz.,   Selds. Walvisv. 52.
De schipper is verpligt een dagregister of journaal te houden, hetwelk moet bevatten enz.,   W. v. Kooph., a. 358.
Van zijn ontmoetingen en ervaringen op dezen tocht heeft Wesenbeke aanteekening gehouden in een ons zeer welkom dagregister,   FRUIN, Geschr. 2, 135 [1897].
Dagreis (1) de afstand die men op een dag aflegt of kan afleggen.
Dese rivieren ligghen van malcanderen … acht mijlen, soo dat by den passagiers, ghemeynlijc daer een dachreyse ghesloten wordt, want sy nergherincx elders water en vinden om te drincken,   DE ZARATE, Hist. v. Peru 6 b.
Het vechtperck zal op d'aerde een daghreis velts beslaen,   VONDEL 10, 21 [1662].
De Coninginne begaf haer … met kleyne dagh-reysen na Poolen,   Holl. Merc. 1674, 210 [1675].
Zoodra de Keizer … te ver op weg zal zijn om Agra in weinige dagreizen weer te bereiken,   V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 169 [1871].
Dagronde (1), ronde die bij dag gedaan wordt.
De Dagh- ofte eygentlijck de Visiteer-ronde, sal eens des daeghs gedaen werden by de Majoor,   Gr. Placaetb. 4, 173 a [1688].
Dagroofvogel (1).
De dagroofvogels … gaan bij dag, of sommige ook bij avoud, op roof uit,   SCHLEGEL, Dierk. 1, 157 [1857].
Dagschool (1), school die bij dag gehouden wordt (tegenover avondschool).
Voor den jongen ambachtsman en landbouwer strekt de burgerschool, met tweejarigen cursus, dag- en avondschool,   P. N. MULLER, in Gids 1864, 3, 475.
Dagschoot (1) zie de aanhaling.
Bij de meest gebruikelijke huis- en kamerdeursloten … komen tweeërlei schooten voor, nl. de Dagschoot, die alleen voor de dag- en de Nachtschoot, die voor de nachtsluiting wordt gebruikt,   V.D. KLOES, Smid 340 [1908].
De beweging van den dagschoot geschiedt bij kamerdeursloten door middel van Krukken of Knoppen,   351.
Dagschot (1 of 2), schot dat het aanbreken van den dag aankondigt.
Dagschuw (3), lichtschuw.
Doch in dit duister-zelf en dagschuw aardmierwroeten, Mag ons een straal dier glans de tastbre mist verzoeten,   BILD. 7, 122 [1811].
Dagsein (1) sein dat bij dag gegeven wordt of alleen bij dag gegeven kan worden (op schepen, bij het leger enz.).
Dagslaper (1) andere naam voor de nachtzwaluw of geitemelker; Caprimulgus europaeus (SCHLEGEL, Vogels 49; Besl. v. 24 Oct. 1892, Stbl. 236).
Dagslot (1), slot dat bij dag dienst doet.
De Buytenplaat van het Dag- en Nacht-slot,   Keuren v. Haerlem 2, 288 b [1751].
Bij een voordeurslot behoort dus alleen aan de binnenzijde een kruk op het dagslot te zijn, terwijl dan het openen, ook van 't dagslot, van buiten alleen met den sleutel kan geschieden,   BERGHUIS, Betimm. 356.
Het dagslot (der meeste kamerdeursloten) heeft geen sleutel; diens taak wordt door de deurkruk of knop vervuld. Dagen nachtslot zitten geheel afgescheiden van elkaar in dezelfde kast opgesloten,   V.D. KLOES, Smid 350 [1908].
Dagstuk (3), houten bekleeding van een kozijn over een deel dat anders in het licht zou komen.
Binnendeurkozijnen … allen betimmerd met dagstukken en architraven,   Uit een bestek [1882].
Dagtaak (2), taak voor den dag opgenomen of opgelegd.
Als het stil wordt in 't gezin En ieders dagtaak is gekweten, Begint de nachtwaak van 't geweten,   TOLLENS 10, 137 [1848].
Op de hofstede van eenen vriend zijns vaders vond onze student eenen schrijnwerker aan de dagtaak,   DE VOS, Vl. Jong. 92.
Dagtafel (4). — 1°. Tabel van (de) op de verschillende dagen te wachten natuurverschijnselen.
'k Verweet een' Beuselaer de dichte feilen Van sijn' dagh-tafelen, die 'ck hem sagh veilen Voor Waeren van gewicht: Wel, seid hy, Heer, Ick maeck den Almanach, God maeckt het we'er,   HUYGENS 2, 122 [1655].
Descartes maakte … geen kleinen ophef over de waarneeming der vier Omloopers of Wachters van Jupiter … en hy oordeelde, dat men 'er nette Ephemerides of Dagtafels, op een bekende plaats zou konnen uitrekenen,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 155 [ed. 1727].
2°. Dagregister, journaal.
Hier van getuygt ook de dag-tafel van den Ammiraal Verhoeven,   W. V. WESTZANEN, Zee-getogt na Oost-Ind. 26 d.
Dagtijd (8 of 9) termijn.
Hun verzoek was geweest, te mooghen bestaan met betaaling van de weeder helfte … op zeekere korte daghtyden, in den jaare vyftienhondert zeevenentachtigh,   HOOFT, N.H. 1075 [c. 1645].
Dagtoorts (1), de zon.
Van daer de daghtorts uyt haer bed Des morgens rijst, tot daerse daelt,   VONDEL 3, 291 [1637].
De dagtoorts zinkt in zee om klaerder op te staen,   POOT 1, 25 [c. 1715].
Dagverdeeling (4), verdeeling van den dag voor verschillende bezigheden.
Als je alleen bent, kun je … alles precies inrichten zooals je 't graag hebt, je dagverdeeling, het ontvangen van je kennissen,   ROBBERS, A. de Boogh 25.
Dagverhaal (4), verhaal van het elken dag gebeurde.
De byzondre zaaken en vreemdigheeden van Italie …, die hy in zyn daghverhaal en reisgeheugenisse aanteekende,   BRANDT, Leev. v. Hooft 6.
Het eerste wat ons in het dagverhaal treft, is de betrekkelijke veiligheid, waarin de reis van den balling … wordt afgelegd,   FRUIN, Geschr. 2, 135 [1897].
Dagvlak (3), het oppervlak van sommige onderdeelen van een bouwwerk, dat in het gezicht komt (verg. V. HOUCKE, Loodg. 174 [1901]).
Dagvlinder (1), vlinder die overdag vliegt.
Onze eerste familie is die der Rhopaloceren of Dagvlinders,   SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dier. 404.
Dagvorstin, de zon.
Haast u, trage dagvorstinne! … Blusch de thans gehate stralen van uw lichttoorts in den vloed,   V. LENNEP, Poët. 11, 159 [1852].
De laatste gloed der achter de kimmen gedokene dagvorstin,   VISSERING, Herinn. 1, 29.
Dagwaak (1), scheepsterm voor: reveille.
De dagwaak slaan.   poëem WNT
Dagwacht (1 en 2). — 1°. Wacht bij dag gehouden.
Ordonnantie aan die van Leeuwarden, opzigtelijk … het houden van goede Dag- en Nachtwacht,   Friesch Placaatb. 4, 210.
De Poort …, daer sy (de schutters) sullen de Dagh-wacht hebben, … met trecken van Briefjens of Loten, na het out gebruyck,   Handv. v. Amst. 155 b [1659].
2°. De wacht aan boord van een schip van vier tot acht uur in den morgen.
Sagen des morgens omtrent het 6de glas van de dagwagt … een Eyland,   ROGGEVEEN, Dagverh. 169.
Dan segt den Harpoenier, So heb ik d'Honde-wagt, en Commandeurs quartier De Dag-wagt,   Selds. Walvisv. 23.
Dagwand (1), reeds in het mnl. Zooveel land als iemand in een dag wenden, d. i. omploegen kan en vandaar als landmaat. Zie ook bij WAND.
Een bunder lands … houdt 4 dagwanden. Een dagwand maekt 100 roeden,   Cost. v. Brussel 1, 408 [1657].
Een bosch, omtrent vijf dagwand groot,   DE MONT en DE COCK, Vl. Wonderspr. 90.
Het geheele grondgebied was nauwelijks eenige dagwanden groot,   Vl. Vert. 420.
Dagziend (3), in het licht komend.
Het geteerde dagziend hout- en ijzerwerk,   Alg. Voorschr. 1901, § 314.
Dagzijde (3), zijde die in het licht komt.
De dagzijden der steenen mogen niet met de mortel in aanraking komen,   Alg. Voorschr. 1901, § 238.

Aanvulling bij DAGI

Samenst., samenst. afl. en kopp. Dagcrème.
  V. DALE [1950 ].
Dagcrème, droge gelaatscrème die verzeept vet bevat,   Med. W.P. Encyclop. 1, 461 a [1955].
— Eerst brengt men een kleine hoeveelheid dagcrème op elke wang, op het voorhoofd, op de neus, de kin en in de hals,   Encyclop. Lichaamscult. 240 [1937].
Bij de zgn. ”droge” crèmes, dagcrèmes, is het vet weer verzeept, meestal met triaethanolamine, soms met kalium- of natriumcarbonaat,   Med. W.P. Encyclop. 2, 378 a [1954].
Dagdier, dier dat overdag actief is en 's nachts slaapt.
  V. DALE [1914 ].
— Zij (varanen) zijn dagdieren,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 24 [1858].
Een gunstige omstandigheid voor de dressuur van Tuimelaars is …, dat zij net als bijvoorbeeld zeehonden en zeeleeuwen dagdieren zijn, dieren dus waarvan de periode van grootste activiteit, de periode waarin zij voedsel zoeken, overdag valt,   SLIJPER, Walvissen 223 [1958].
Van nature zijn de ganzen uitsluitend dagdieren,   V. DALE [1976].
Dagdroom, dagdroomen (zie die woorden).
Dagindeeling, wijze waarop de bezigheden van personen over een dag zijn verspreid of waarop een dag in tijdseenheden is ingedeeld.
  V. DALE [1950 ].
Dagindeeling bij de Brahmanen,   Werken Linsch.-Ver., Reg. 1-25, 112 b [1939].
In het algemeen houden wij … vast aan deze dagindeeling, waarbij een ontbijt, middagmaaltijd en avondeten de benoodigde hoeveelheid voedsel toevoeren,   HETTEMA, Mod. Voeding 41 [1940].
De dagindeling in uren wordt in de H. Schrift voor het eerst in het N.T. vermeld,   Encyclop. Kath. 3, 874 [1956].
Dagkant, (bouwk.).
Dagkant, binnenkant der stijlen van een kozijn,   V. DALE [1950 ].
Dag, ook dagkant, dagzijde of negge genoemd, is het binnenvlak van het materiaal dat een opening omsluit,   Bouwk. Encyclop. 1, 314 a [1954].
Dagkant, de zijkant van een `dag', de neg of muurinsnijding, waarin een lichtopening, een venster, vervat is; ook van een poort, een ingang, een boog, zelfs van een nis,   W.P. Kunst [1958].
— In plaats van lange smalle, half-rond gesloten vensters, zijn deze hier breed in den dag 1.25 M. en hoog in den spitsboog 2.10 M. met schuine dagkanten,   Bull. Oudh. Bond 1917, 182.
De raamopeningen werden in de dagkanten dichtgemetseld, waarbij in elke vulling twee vlak naast elkaar liggende raamopeningen werden uitgespaard,   V.D. KLOOT MEIJB., N. Kerk 79 [1941].
Rechtstanden zijn loodrechte dagkanten van muuropeningen,   Bouwk. Encyclop. 2, 313 a [1955].
Dagenlang.
Dagenlang, verscheidene dagen durende; gedurende enige dagen,   V. DALE [1976].
— Een onachtzaamheid, een klein verschil in smaak volstond tot uren en dagen-lange verwijdering en twist,   V. EEDEN, K. Meren 379 [1900].
Jeanne … veel nukkiger, dagenlang stil, dan in-eens dól-uitbundig,   ROBBERS, Gel. Fam. 40 [1909].
Een uitgebreid controleapparaat (voor zeker internationaal dressuurconcours) (is) in actie gekomen en daarvoor leveren de gehuurde tribunes dagenlang geen rendement op,   N. Rott. Cour. 27 Aug. 1962.
Daglengte, gedeelte van een dag waarin het licht is.
Zij (zekere variëteiten kropsla) geven goede kroppen, ook indien de daglengte 16 tot 18 uur is,   Telegraaf 7 Mei 1941.
Onder daarvoor gunstige omstandigheden, vooral een lage temperatuur gedurende een voldoend langen tijd en een groote daglengte, zullen alle bieten gaan schieten,   WELLENSIEK, Plantenvered. 405 [1943].
Sinds ongeveer 30 jaar is het bekend, dat zeer vele planten specifiek gevoelig zijn voor de daglengte,   Daglicht 1, 86 [1950].
Dagjesmenschen, menschen die een dagje uit zijn.
  V. DALE [1914 ].
— Eén lid sprak van enkele wandelaars, een ander van ”het publiek”, maar met de kennelijke bijgedachte aan dagjesmenschen met boterhammenmanden,   Gids 1923, 3, 332.
Neem asjeblieft niet de allures van dagjesmenschen aan,   CISSY V. MARXVELDT, Zomerzoth. 35 [1927].
Op zonnige dagen trekken niet minder dan 1 300 000 mensen naar buiten …. Van overheidswege beijvert men zich om al deze dagjesmensen een optimaal genot van hun vrije tijd te verschaffen door hen zoveel mogelijk van de natuur te laten genieten,   O.K.W. Med. 26, 552 a [1962].
Dagomzet, omzet van een dag of per dag.
Dagomzetten van 60 à 70 vierling spiering … waren geen uitzondering,   N. Rott. Cour. 19 Oct. 1933.
De controleur ontvangt … de kassabonnen en keukenbonnen …. Aan het einde van de dag telt de controleur de bonnen … op en maakt de splitsing van de dagomzet,   Cursus Hotel-Restauranth., Bedrijfsl. 17, 1 [1959].
Dagonderwijs.
Dagonderwijs, overdag gegeven onderwijs,   V. DALE [1976].
— De aantallen leerlingen, die volledig dagonderwijs volgden respectievelijk op 1 januari 1960 en op 1 januari 1961 … zijn voor de onderscheidene typen van scholen … vermeld,   O.K.W. Med. 25, 446 a [1961].
Volgens de laatstbekende gegevens … volgt 20% van een generatie niet meer dan 8 jaren dagonderwijs,   O.K.W. Med. 28, 440 a [1964].
Dagontvangst, geldbedrag dat men op een bepaalden dag ontvangt. Gewoonlijk in het mv.
De dagontvangsten worden geboekt in het kasboek,   Cursus Caféh., Bedrijfsadm. 5 a, 3 [1956].
De rekening ”dagontvangsten” wordt gedebiteerd,   Cursus Hotel-Restauranth., Bedrijfsl. 17, 1 [1959].
Dagopleiding, overdag gegeven opleiding.
Sinds 1959 bestaat aan de rijksuniversiteit te Utrecht naast de dagopleiding een zgn. avondcursus voor de akte natuur- en scheikunde m.o.-A,   O.K.W. Med. 25, 354 b [1961].
Het onderwijs is gesplitst in twee gedeelten, t.w.: een avondopleiding van zes lessen per week gedurende het eerste leerjaar, gevolgd door een dagopleiding van tien lessen per week gedurende de laatste drie leerjaren,   O.K.W. Med. 26, 256 b [1962].
Naast deze Gouvernementsschool … hadden de rooms-katholieken een eigen dagopleiding,   O.K.W. Med. 28, 169 a [1964].
Dagprijs, prijs die op een bepaalden dag geldt.
Indien bij afscheep de marge van 2½ % wordt overschreden en niet meer dan 5 % bedraagt, wordt het verschil tusschen het werkelijk uitgeleverd gewicht en het gestipuleerde afscheepgewicht, zonder de marge van 2½ % in aanmerking te nemen, verrekend op basis van den dagprijs geldende te Amsterdam en te Rotterdam ten tijde van aankomst van het schip op de bestemmingsplaats,   KNOP, Handelstechn. 1, 132 [1921].
Dagproductie.
  Mijnbouwk. Nomencl. 14 b [1949].
Rushes, dagproduktie,   Vocab. du Cinéma 72 a [1963].
Dagproduktie, produktie van een dag of per dag,   V. DALE [1976].
— De steenkolenmijnen voorzien zich meestal voor twee maanden vooruit; dat is voor een mijn met een dagproductie van 4000 ton kolen een hoeveelheid hout van 6000 à 10 000 m3,   Hout in alle T. 4, 439 [1952].
Deze afdeling blijft geopend voor ontvangst van de dagproductie (van huisvuil), waarmede dus weer de dagstand wordt bereikt,   Bouwk. Encyclop. 1, 440 a [1954].
Eind augustus kwam het asfaltbedrijf in volle gang met een dagproduktie van 600 ton asfaltbeton,   Deltawerken 6, 42 [1958].
Dagrantsoen.
Dagrantsoen, per dag verstrekt rantsoen,   V. DALE [1976].
— Samenstelling van doelmatige maaltijden en dagrantsoenen, met berekening van prijs en voedingswaarde,   S. en J. 976, blz. 322 [1935].
Om een beeld te geven van de verdeling der calorieën, laten wij hier een uitvoerig uitgewerkt dagrantsoen volgen,   SARELS V. RIJN, Koken 104 [1951].
Dagrapport, dagelijksch rapport van verrichte werkzaamheden e.d.
Agenten! Wanneer ik jullie ooit weer betrap op het verzuimen van den plicht, welken ik als brigadier jullie heb opgedragen, dan maak ik melding van jullie plichtsverzuim op het dagrapport!   FEITH, Flip 23 [1912].
Hulpmiddelen zijn o.a. dag- en weekrapporten, tijdschema's, tijd- en productieverantwoordingen, begrotingscontrolestaten en bedrijfsgrafieken,   Bouwk. Encyclop. 1, 40 [1954].
Dagrapport voor het hei-werk voor … Gedrukt op transparant tekenpapier …. Per 100 stuks ƒ 13.65,   Prijscour., Ahrend 44, 123 [1954-'55].
Dagrecreatie, recreatie van korteren duur binnen de tijdsruimte van een dag, zonder dat er overnacht wordt. Tgov. verblijfsrecreatie.
  Aant. v. A. V. DAM [1966].
Ten oosten van het Dokkumerdiep … vindt men geschikte plaatsen voor de verblijfsrecreatie en de dagrecreatie,   Deltawerken 46, 319 [1968].
Dagregen.
Dagregen, (gew.) regen voor de hele dag,   V. DALE [1950 ].
— Deeze regen zal een dagregen zyn,   HALMA 663 c [1710].
Valt hij (de regen) uit eene overal betrokken lucht gestadig neder, dan spreken wij van een dagregen, dat is, van een regen, die wel den geheelen dag zal aanhouden,   WINKLER PRINS, Handb. Aardr. 2, 72 [1862].
Dagrente, in de aanh. in het mv. en fig. mog. zooveel als: dagelijksche onkosten, d.w.z. nadeelen. Vgl. rente, 7). Sinds lang veroud.
Al seght hy (Paulus) … dat het … geoorloft is te houwen: nochtans, als hy soo toont wat daer by staat, te weten, droefheydt, lijden, hoofdtsweer, ende sulcke dach-renten, die alleen den proeuenden kenbaer zijn: soo blijckt het, dat hy die … koopmansschap niet seer ventelick en maeckt, maer meer den koopman daer van vervremdt,   DAVID, Vleeschp. 20 [1610].
Dagschoone, (plantk.) tot het geslacht winde behoorende, uit Z.-Europa afkomstige sierplant (Convolvulus tricolor L.).
  V. DALE [1872 ].
  HEIMANS e.a., Flora 805 [1947].
  HEUKELS-V. OOSTSTROOM, Flora 473 [1970].
Dagschotel (zie ald.).
Dagslaap, (dierk.) andere naam voor de(n) nachtzwaluw of geitenmelker (Caprimulgus europaeus L.).
Caprimulgus europaeus. De Dagslaap, Geitemelker,   Naaml. voor Nat. Verh. Bat. Maatsch. Wet. 2, 1, XXXII [1803].
Caprimulgus Europaeus, Linn. Spec. 1. De Europische Dagslaap, de Geitenmelker. L' Engoulevent. The European Goatsukker. Der Taghschlafer,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 400 [1822].
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Die dagslaap … behoort in 't geheel niet tot de zwaluwen, doch vormt een aparte familie, met slechts één soort in ons land,   WIGMAN, Vogels Heide 133 [1939].
Om zijn uiterlijk, en vooral om dat van zijn kleintjes, heet hij (de nachtzwaluw) vliegende pad. Ook dagslaap en nachtratel zijn duidelijk, want vooral 's avonds roert hij zich!   VRIENDS, Vogels Dennenbos 83 [1940].
Dagsluiting, korte, stichtelijke toespraak van een geestelijke, een dominee e.d. ter afsluiting van den dag.
De regels van het huis moeten ervoor zorgen, dat allerlei dingen vanzelfsprekend samen gebeuren: samen eten, aan sport doen, zo men wil een dagopening of dagsluiting bijwonen enz.,   O.K.W. Med. 27, 53 a [1963].
Dagstaat, staat die dagelijks wordt opgemaakt (inz. betreffende financieele aangelegenheden).
Die derde (commies) sal de penningen soo wel vande supposten als andere Ingesetenen ontfangen, het ontfangh teeckenen in drie pertinente besondere Journalen ofte dagh-staeten, volgens de formulairen haer over gelevert,   Placc. Gen. Midd. Gron. e. Ommel. 203 [1652].
De administratie van een eenvoudig bouwwerk; materiaalstaten; dag-, week-, loon- en werkstaten; verzekering,   S. en J. 976, blz. 295 [1935].
Aan het einde van de dag rekent de directie … met de kelners af …. Degene die afrekent vult een dagstaat in,   Cursus Hotel-Restauranth., Bedrijfsl. 17, 1 [1959].
Dagstelling.
1°. Datum. Sinds lang veroud.
Datum, daghstellinghe, tijdt-stellinghe verleent,   Woorden-Schat [ed. Haarlem, 1650].
Datum, gedag-teykent, dag-teykenning, dag-stelling, tijd,   KOERBAGH, Wdb. Regten 274 [1664].
2°. Stelling die door militairen overdag wordt betrokken. Tgov. nachtstelling.
Tegen 8 uur hebben de veldwachten … de vroegere opstelling weder ingenomen en één uur later wordt nu door alle afdeelingen in verband met de ontvangen order de nachtstelling betrokken. Deze moet aan andere eischen beantwoorden dan de dagstelling, omdat men bij nacht niet veel zien maar daarentegen zeer veel hooren kan,   Mil. Spect. 1875, 545.
Dagtank.
Onder dagtank wordt verstaan de tank, welke uit een brandstofvoorraadtank wordt gevuld en eene hoeveelheid brandstof kan bevatten ter hoogste gelijk aan het verbruik van den motor gedurende 24 uur,   Schepenbesl. 1932, blz. 208.
Dagtank, tank voor water of olie met een inhoud ongeveer gelijk aan een dagverbruik,   Maritieme Encyclop. [1970].
— Bij aanwezigheid van eene dagtank moet deze op het laagste punt van den bodem van een waterzak met inrichting tot het aftappen van water zijn voorzien,   Schepenbesl. 1932, blz. 208.
Dagtemperatuur, temperatuur overdag.
Op het noordelijk halfrond (is) het grootste verschil tussen dag- en nachttemperatuur te vinden,   Hout in alle T. 3, 27 [1951].
Het verschil tussen de dag- en de nachttemperatuur … veroorzaakt dit gebrek (”windscheuren”),   Hout in alle T. 5, 340 [1955].
Dagtocht, tocht, reis, uitstapje van één dag.
Grote keuze dagtochten door Nederland en België, Cebuto Reisbureaux,   Vrije V. 8 April 1948, 3 b.
Dagtochten naar Trier (66 km), Keulen (100 km), Koblenz (85 km) en Luxemburg (112 km) zijn van Gerolstein uit zeer wel mogelijk,   Buskruid Oct. 1961, 13 b.
Volgens het rapport is er behoefte aan doelen voor dagtochten,   O.K.W. Med. 28, 141 c [1964].
Dagtoer, toer, rit, uitstapje van één dag.
Langs de stralende, weelderige winkels, bioscopen enz. … drentelen bijna enkel toeristen, van zwaren dagtoer weergekeerd,   V. BRUGGEN, Tirol 7 [1926].
Jaarbeurs Brussel. Dagtoer per Luxe Auto-Car m. Lunch, Diner, entree-biljet, paspoorten verzorgd, voor ƒ 22.50 totaal,   Vrije V. 8 April 1948, 3 e.
Dagvagebond, iemand die zich overdag aan landlooperij schuldig maakt.
Alle nachtloopers met of sonder geweer, en daegs-vagebonden die met geweer gaan, (worden) ten eersten gegeesselt, en daer nae swaarder arbitralijk gestraft,   HUBER, Heed. Rechtsgel. 928 [1726].
Dagverblijf, plaats waar menschen of dieren overdag kunnen verblijven.
  V. DALE [1914 ].
Dagverblijven: bv. de veilige dagverblijven der wilde eenden,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Met dit nummer worden verzonden afdrukken van de statuten betreffende de Vereenigingen …. Utrechtsche Dagverblijven, gevestigd te Utrecht, alsmede enz.,   Ned. Staatscour. 25/26 Mei 1928, 17 a.
Een door den reeder vastgesteld reglement betreffende den dienst aan boord is voor den schepeling verbindend, mits een in de Nederlandsche taal gesteld exemplaar daarvan in een mede voor hem bestemd dagverblijf der schepelingen is en blijft opgehangen en behoorlijk leesbaar is,   Ned. Wetb. (ed. FRUIN 1967), W. v. Kooph., a 402 [1945].
Zowel door particulier initiatief als door de overheid (worden) steeds meer dagverblijven voor kinderen ingericht,   Syllabus R.V.U. 23 Febr. 1956, 2 a.
Dagvergoeding.
Dagvergoeding, per dag berekende vergoeding,   V. DALE [1976].
— Het bedrag van de beurzen omvat de reiskosten van de bursaal, een dagvergoeding, die voor ieder land afzonderlijk wordt bepaald, en eventueel een bedrag voor laboratoriumgelden,   O.K.W. Med. 26, 516 b [1962].
Dagverlichting.
1°. Verlichting door middel van het daglicht. Tgov. kunstverlichting.
Lichtverstrooiend glas wordt in de verlichtingstechniek veel toegepast (melkglas, opalineglas) en ook wel in glasopeningen voor de toetreding van dagverlichting (thermoluxglas),   Bouwk. Encyclop. 2, 113 a [1955].
Dat … de kunst- en dagverlichting (t.w. in een museum) de voorwerpen zo gunstig mogelijk moeten doen uitkomen,   Bouwk. Encyclop. 2, 177 a [1955].
2°. Verlichting met daglichtlampen.
  V. DALE [1976].
Dagversch, op den dag van aanbieding geoogst, geproduceerd e.d., d.w.z. zeer versch.
Dag Vers. Verse, voorgebakken Patates frites Kilo 1.49 Verse Sperzieboontjes 500 gram 98,   uit een advert. [1974].
Dagwijzer, werktuigje, boekje of blaadje dat de dagteekening aangeeft; almanak; agenda; kalender.
  V. DALE [1872 ].
— Tegen de muur stond een treffelijk konststuk, zijnde een horologe …, hetzelve … was voorzien met een maandwijzer, dagwijzer, maanwijzer, de twaalf zodiakstekens, alle heilige dagen en een eeuwigdurende almanak,   in Nav. 45, 678 [1740].
Gezelle heeft … historische notities en biografieën in de dagwijzer ingevoerd zonder Vondel te vergeten (t.w. in het tijdschrift Rond den Heerd),   Med. V.A. 1961, 362.
Dagzoom, (geol.).
Zoom, Dagzoom, Uiteinde. Doorsnijding van een laag met de terreinoppervlakte,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 60 [1929].
Dagzoom. Aardlagen loopen zelden waterpas, bijna altijd schuin. Wanneer zij zich tot aan de aardoppervlakte voortzetten, dan komt een zoom ter breedte van een schuine doorsnede van de aardlaag aan den dag. Die zoom heet de dagzoom van de aardlaag,   METZ [1937].
  V. DALE [1950 ].
— Laag 8 treedt in een dagzoom aan den dag die in vorm overeen komt met de lijnen mn, pqr, stuv en wz in figuur 13,   ESCHER, Gedaanteverand. Aarde 41 [1916].
Hij (zekere geoloog) vond het principe van de uittreding der plooiassen (”sortie axiale”), waaraan het Penninische gebied zijn eigenaardige bouw te danken heeft, en toen hij deze sleutel in handen had, kon hij … de slechts gedeeltelijk zichtbare dwarsprofielen aanvullen door de laaggrenzen der dagzomen in de richting der plooiassen te projecteren,   ESCHER, Alg. Geol. 367 [1948].
Begraven of verdwenen, verdubbelde dagzoom.
Dagzoom, begraven of verdwenen. Door een verschuiving, meestal door een afschuiving, kan een dagzoom begraven en dus onzichtbaar worden,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 76 [1929].
Dagzoom, verdubbelde. Door een verschuiving, meestal door een opschuiving, kan een dagzoom verdubbeld of meervoudig worden,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 76 [1929].
Hierbij: dagzoomafstand.
Dagzoomafstand of horizontale verplaatsing van den dagzoom, gemeten in de strekkingslijn van het verschuivingsvlak,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 79 [1929].
Hierbij ook: dagzoombreedte.
  RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 60 [1929].
Dagzuster, verpleegster voor den dagdienst. Tgov. nachtzuster.
Dagzuster in ziekenhuizen; tegenstelling v. nachtzuster,   aant. v. A. V. DAM [c. 1960].
  V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1909.