Koppelingen:
Vorig artikel: DATIEF I Volgend artikel: DATMAAL

DATIEFII

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: datief

bnw. Uit lat. dativus; zoo ook fr. datif (1437), eng. dative (1575 in de genoemde toep.). In rechtst.
Door den rechter benoemd, ingesteld of opgedragen. Bep. in de uitdr. datieve voogd (< lat. tutor dativus) en datieve voogdij (< lat. tutela dativa). Vgl. fr. tuteur datif, tutelle datif, eng. tutor dative, tutory dative.
  FOCKEMA ANDREÆ, Rechtsgel. Handwdb. [1948].
  V. DALE [1950 ].
Datief, in het bijzonder de uitdrukking: datieve voogd, datieve voogdij: voogd die benoemd is, voogdij die ingesteld of opgedragen is door de rechter, (N.B.W. artt. 295, 299) in tegenstelling tot de wettelijke of tot de testamentaire voogdij (bv. N.B.W. art. 283),   FOCKEMA ANDREÆ, Rechtsgel. Handwdb.  (ed. post. 1970).
— Men kan de voogdij over de minderjarigen volgens de wijze waarop zij wordt toegekend in vier soorten rangschikken: 1. de wettelijke voogdij van de vader of de moeder; 2. de testamentaire voogdij; 3. de wettelijke voogdij der ascendenten; 4. de datieve voogdij, die opgedrongen wordt door de familieraad,   W.P. Encyclop. 18, 253 b [1954].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.