Koppelingen:
Vorig artikel: DECOCT Volgend artikel: DECOCTUM

DECOCTIE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: decoctie

znw. vr., mv. -iën. Uit vulg. lat. decoctio of fr. décoction (1256/13de e.); eng. decoction (1398 in de bet. 2, c. 1430 in de bet. 1), du. dekoktion (decoction 1539 in de bet. 2, 1571 in de bet. 1). Niet in Mnl. W. Pharm. term. Sinds lang veroud.
1.  Het afkoken; afkoking.
Decoctie. Decoctum, decoctus, vulgo decoctio,   KIL. 701 b [1599].
  MEYER, Woordenschat [1663].
Decoctie, de afkoking, het afkoken,   KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
— De veerthienste distinctie es van decoctien der medecinen ende heeft drie descriptien Deerste die langhe decoctien verdragen moghen De tweede die luttel siedens verdragen moghen De derde die middelbaer decoctie verdraghen moghen,   QUIRICUS, Dlicht der Apot. a iv r° [vert. 1515].
2.  Afkooksel.
  KIL. 701 b [1599].
— Si (Metridatum nicolai) es goet tegen dissinteria ende lienteria, eest dat men se gheeft metter decoctien van balaustia enz.,   QUIRICUS, Dlicht der Apot. c v v° b [vert. 1515].
Teghen versche quetsure vander huydt op den rugghe (t.w. van een paard), soo neemt twee aiuyns ende maeckten af een decoctie in siedende water, dan sult ghy die … opt zeer leggen,   STEVENS en LIEBAUT, Landtw. 168 [1582].
Asperges, Letgras, Vennecool: Van de welcke men een heete decoctie maken mach,   DODON., Ars Medica 8 a  (ed. post. 1624).
De soute Pituita werd bereid met Syroop van betony van staechas, met de decoctie van Cichorey, Betony, &c.,   FABRITIUS-OSTENS, Heelk. Handw. 501 [1661].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.