Koppelingen:
Vorig artikel: DIGITAAL Volgend artikel: DIGITALISEEREN

DIGITALIS

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: digitalis

znw. m. en vr., g. mv. Uit lat. digitalis; fr. digitale (1545), eng. digitalis (1664), du. digitalis. Als wetensch. plantnaam mog. in 1542 geïntroduceerd door den Duitschen botanicus Leonhardt Fuchs ter vertaling van du. Fingerhut. Soms genoemd met den volledigen lat. naam: digitalis purpurea.
Vingerhoedskruid; zoowel ter aand. van het geslacht Digitalis als van de soort Digitalis purpurea L.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  COËLHO, Zakwdb. d. Geneesk. [1953].
  V. DALE [1976].
— Zij (de geit) (kan), zonder eenig nadeel, planten eten, welke voor andere dieren schadelijk zijn, bijv. euphorbium, daphne mezereum, stinkende gouw, scheerling, enz. …; schadelijk voor haar daarentegen is de taxus, digitalis, vlookruid en evonimus europaeus,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 748 [1871].
25 Juli …. Eenzame wandeling door bosch met digitalis,   V. EEDEN, Dagb. 3, 59 [1895].
Behalve alkohol kunnen … strophantus en digitalis aangewend worden …. Hiermede zijn de regels aangegeven, volgens welke ik de puerperale infectie behandel,   TREUB, Verlosk. 903 [1919].
Als voorbeeld van een minder scherpe scheiding (tusschen de vormgebieden) kunnen we een bloeiende Digitalis aanhalen, waar het vegetatieve deel met wortels, stengels en bladen het eene, de bloeiwijze het andere gebied vormt,   Leerb. Alg. Plantk. 1, 19 [1943].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.