Koppelingen:
Vorig artikel: FASCINATIE Volgend artikel: FASCINEEREN

FASCINE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: fascine

znw. vr., mv. -n en -s. Niet in Mnl. W. Uit it. fascina of ontleend via een andere taal maar onzeker welke; fr. fascine (16de e.), du. faschine (1616), eng. fascine (1688). In de 17de e. in den vorm fecijn.
(Vest.) Regelmatig gesneden en gebonden bundel rijshout of takken gebruikt om verdedigingswallen, dijken e.d. te verstevigen en eert. ook om grachten plaatselijk te dempen.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  V. DALE [1872 ].
  BOUWENSCH, Mil. Wdb. 99 [1906].
— Datmen sulcken Volck moest inde Graght,, stouwen Om Bruggen over te maecken, in plaets van Mutsaert, oft Fecyn,   OGIER, Seven Hoofts. 275 [1645].
De vroegere blinderingen van balken, fascines en aarde, konden de zware bommen niet meer tegenhouden,   Boek d. Uitv. 6, 384 [1869].
Dat eene borstwering, bestaande uit 5 naast elkander liggende rijen fascinen … elke fascine 0,3 meter dik, evenveel weêrstand biedt als eene aarden van 3,75 meter dikte,   ELAND, Veldverst. 14 [1870].
Bekleeding met fascines,   BOUWENSCH, Mil. Wdb. 39 [1906].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.