Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: FIJN I Volgend artikel: FIJNAARD
Etymologie: EWN, EWA
Afbeeldingen: BURG
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

FIJNII

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: fijn

bnw. en bijw. Mnl. fijn. Ontleend aan fr. fin. — De verschillende beteekenissen zijn gerangschikt naar de Fransche waarop zij berusten.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. Fijnaard, fijnheid, fijnte, fijntjes, verfijnen (zie die woorden)
fijnerik, slimmerd, in Z.-Ndl. (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 1683).
Samenst. afl., koppel. en samenst. — 1) Als tweede lid in Allerfijnst
haarfijn, ragfijn en stoffijn (zie die woorden of het eerste lid).
2) Als eerste lid in Fijnbaard, fijngevoelig, fijnman (zie die woorden) en verder in
Fijnbeschaafd.
Dat hij, als fijnbeschaafde man, gewoon was fransche kranten en fransche tijdschriften op tafel in zijn huis te hebben,   QUACK, Stud. 202 [1881].
Fijnbesnaard, met een verfijnd gevoelsleven (verg. Dl. II, 2060).
Met de teerheid van een fijnbesnaard kindergewetentje,   DE SAV. LOHMAN, Vragensm. 160.
Gezelle …, die fijnstbesnaarde aller kunstenaars,   VERMEYLEN, Opst. 1, 196.
Fijnbesneden, van gelaatstrekken.
Een vrouwspersoon …, die schoon niet mooi of fijnbesneden, echter jong en nog al niet onaardig was,   LOOSJES, Bronkh. 4, 275 [1807].
In de fijnbesneden trekken Was aanstonds op het klaarst haar zusterschap te ontdekken,   DA COSTA 1, 31 [1816].
Fijnbewerktuigd, met fijne organen en geest (zie ook Dl. II, 2410).
De … fijnbewerktuigde Huygens,   BUSKEN HUET, Rembr. 2, 1, 202 [1884].
Fijnbranden, het zuiveren van zilver door smelting onder toestrooming van lucht.
Bij voorbeeld de fijn gebrande korrels weegen tien penningen en twaalf greinen, zo is 'er een penning en twaalf greinen aan koper in geweest,   CHOMEL 675 b [1769].
Fijndraaier, plaatselijk in den zin van fijne (op godsdienstig gebied).
Zoo'n listige fijndraaier, bij iederen handel afgezet en in schunnige loentjes gedrongen door zijn bloedeigen broer Thijs,   QUERIDO, Jordaan 134.
Fijndradig.
Een hout wat rosser, digter, en fyndradiger,   RUMPHIUS, Amb. Kruidb. 3, 71.
Zijn kalme liefde, zijn goedronde oprechtheid (die van Gezelle), voelt zoo kinderlijk en fijndradig kiesch, dat zij een zang is,   VERMEYLEN, Opst. 1, 90.
Fijngehalte, gehalte aan edel metaal van goud of zilveralliages.
Fijngekleinsd, verouderd.
Het fijngekleinsde en herkaauwde voedsel,   BERKHEY, N.H. 5, 415 [1805].
Fijngeurig.
Zijn zwevend gecadenceerde zinnen, zijn slanke fijngeurige woord-gestalten,   V. EEDEN, Stud. 1, 120 [1889].
Fijnhakken.
De schamele armoedige … hakt ze (runderlongen) fijn en bezigt ze in soep,   BERKHEY, N.H. 6, 59 [1807].
Fijnharig.
Men spreekt … van: … fijnharig, als zij (de haartjes) zeer lang en zacht zijn en rechtop staan,   OUDEMANS, Flora² 1, 67.
Fijnkappen, fijnhakken (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 1683).
Fijnkauwen.
Zijn eten goed fijnkauwen.   poëem WNT
Fijnknabbelen, gewestelijk.
Ge moet oew eten fijnknabbelen,   CORN.-VERVL. 1683.
Fijnkop, naam van eene verscheidenheid van paling.
De visschers … die fijnkoppen en jankoppen of grofalen onderscheiden,   BURGERSDIJK, Dieren 3, 227 [1873].
Sestien sintjes. … dikke oal … gròf oal. … dikke oal … echte faànkoppe!   QUERIDO, Jordaan 8.
Fijnkorrelig.
Het zeer harde, staalachtige of fijnkorrelige ijzer,   GROTHE, IJzer 84 [1873].
Fijnmalen.
Wat let my den molen, als hy fijn-maelt?   DAVID, Lot v. Wijsh. 80 [1606].
Het fijnof vlakmalen. Deze maalwijze is de oudste en meest verspreide; zij bestaat daarin, dat men het graan slechts éénmaal aan de werking der molensteenen onderwerpt, waarbij de kern zoowel als de bastschillen terstond zoo fijn als noodig is verdeeld worden,   GROTHE, Mechan. Technol. 463 [1879].
Korstjes, die knisterden en die je toch zóó fijn maalde in je mond,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 74 [1910].
Fijnmetselaar, in Z.-Ndl.: metselaar die gebouwen bepleistert (V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897], zie ook boven, kol. 4465).
Fijnnaaister, naaister die fijn naaiwerk verricht. In Z.-Ndl.
Z'n vrouw is 'en fijnnaaister,   CORN.-VERVL. 2218.
Fijnproever, iemand die fijne onderscheidingen kan proeven.
Dat de sigaretten-fijnproevers … beweren, dat men sigaretten niet aan eene vlam … mag aansteken,   V. CAPPELLE, Electr. 500 [1908].
Soorten (aardappelen), welke qualitatief zeker niet hoog zijn aan te slaan en welke den fijnproever slechts matig bevallen,   Versl. Landb. 1910, 3, 113.
Fijnpuntig.
Draagt een stompe bladtop een vrij lang en spits aanhangsel, dan noemt men het blad fijnpuntig,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 60.
Fijnschaal, naam van de strandschelpen van het geslacht Pisidium Pf.
Het tweede geslacht der zoetwater bewonende leden van de familie der strandschelpen is dat der fijnschalen,   HERKLOTS, Weekd. 144.
Fijnschaven, door schaven fijnmaker (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 1683).
Fijnscherven.
Fijngescherfden zodenafval,   Handb. d. Pionierk. 1, 109.
Fijnschilder, kunstschilder. In Z.-Ndl.
Gij moet weten, dat de fijnschilders, vóor de Van Eycks, zich van water- en wasverw bedienden, zoodat hun schilderingen veel minder stevig en schoon waren,   SLEECKX 14, 312 [1869].
Met dit alles had hij (Gerard Dou) veel van den grooten meester (Rembrandt) geleerd en onthield hij het goed, en dit juist was het wat den behendigen fijnschilder tot grooten kunstenaar maakte,   ROOSES, O. en N. Kunst 1, 159.
Karel Slabbaert is een bekend schilder geweest, die in 1645—46 als fijnschilder onder de broeders is ingeschreven,   Tijdschr. v. Munt- en penningk. 1902, 123.
Fijnschuiven, rechtschuiven, goedschuiven. In Z.-Ndl.
De gordijntjes worden fijn geschoven, de Luiken dichtgemaakt,   BERGMANN, Staas 4 [1874].
De schrijver schoof zijn mutsje fijn, greep zijne beste pen en begon enz.,   BERGMANN, Nov. 377.
Fijnsnijden.
Zij nemen het mosch van beuken …, snijden het fijn en geven het de Koe,   BERKHEY, N.H. 8, 187 [1810].
Bij vele boeren (krijgen de varkens) des zomers in plaats van aardappelen, fijn gesneden klaver, een uitmuntend voedsel,   Onderz. Landb. 1886, 7, 21 [1890].
Fijnspinnen.
Het eigentlijk spinnen of fijn-spinnen,   KUYPER, Technol. 2, 240.
Hierbij weder de samenst. Fijnspinmachine (”Het door de fijn-spinmachine geleverde garen”, KUYPER, Technol. 2, 254).
Fijnspriet, naam voor de wantsen van de familie der Capsidae; bloemwants.
Men treft de soorten, die tot de Fijnsprieten behooren, op allerlei planten, hooge boomen, heesters, kruiden en grassen aan,   SNELLEN V. VOLLENH., Gel. D. 276.
Fijnstampen.
Dan neemt men lijnzaad, stampt dit fijn, en strooit het … in het kooksel,   BERKHEY, N.H. 8, 32 [1810].
Fijnstooten.
Dit poeder (wordt) fijn gestooten, wel gezift enz.,   BERKHEY, N.H. 8, 32 [1810].
Twee lepels fijngestooten zeeschuim,   56.
De aarde wordt … bij kleine steken omgeworpen en met de zijde van de spade fijn gestooten,   WITTE, Tuinb. 58.
Fijnstraal, naam van de planten van het geslacht Erigeron, uit de familie der Compositae, met zeer smalle lintbloemen.
Fijnvezelig. — Hierbij weder de afl. fijnvezeligheid (”Er ontstaat als het ware door het vele buigen een bijzondere soort van fijnvezeligheid”, V.D. KLOES, Smid 85 [1908]).
Fijnvoelend.
Hij was toch een werkelijk kiesch, fijn-voelend mensch, iemand van tact en goeden smaak,   ROBBERS, A. de Boogh 125.
Fijnwerker, suikerrafinadeur die alleen broodsuikers in den handel brengt.
Fijnwrijven.
Het fijnwrijven der afzonderlijke stoffen geschiedt op verschillende wijzen,   KRECKE, Chem. Technol. 247 [1881].
De kristallen … met eene kleine hoeveelheid oplossing van ijzerchloride bevochtigd en fijn gewreven,   Ned. Apoth.² 197.
(Zij) wrijft met de punt van d'r tong de fondant fijn tegen d'r tanden,   FALKLAND 1, 100 [1896].
Fijnzetten, rechtzetten, goedzetten. In Z.-Ndl.
Moeder B. zette haren bril fijn,   BERGMANN, Nov. 114.

Aanvulling bij FIJNII

Samenst., samenst. afl. en kopp. Het is niet uit te sluiten dat sommige van de volg. woorden leenvormingen naar het du. zijn.
Fijnbladig, (plantk.).
Anemone: daar van zyn veele zoorten, waar van de voornaamste zyn, de breed- en smalblaadige gesterde Anemonen; de fynblaadige Anemonen enz.,   Burger-Thuinb. 316 [1769].
Brunia Abrotanoides. Fynbladige. De Bladen van deeze zyn zo smal niet als van de voorgaande, doch niettemin fyn genoeg, om het Loof naar dat van de Averoon te doen gelyken,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 331 [1775].
Fijnbladige Reigersbek met veelbloemige bloemstelen, gevinde bladen enz.,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 299 [1815].
Sisymbrium Sophia L. …, fijnbladige raket …, Sophiekruid,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1259 b [1911].
Fijnboor.
Rohrschlichter, Fijnboor, (voor geweerloopen),   BOUWENSCH, Mil. Wdb. 415 [1906].
Fijnboormachine.
  WARTENA, Techn. Handb. 186 [1952].
Fijnboormachine dient voor het fijnboren van cylinders,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
— Met een fijnboormachine in werkstukken, zoals cilinderblokken, gaten tot op 0,005 mm nauwkeurig boren of kotteren,   Beroepeninvent. I, 3, 29 [1959].
Fijnboren.
  WARTENA, Techn. Handb. 186 [1952].
Fijnboren, het zuiver cylindrisch en glad uitboren van cylinders,   Auto-encyclop. [1954].
Fijngeestig.
Eene humoristische, niet al te fijngeestige schets uit het leven van den plattelandsheelmeester,   TE WINKEL, Ontwikkelingsgang2 7, 328 [1927].
Fijngetand, (plantk.).
Fijngetand (denticulatus), met zeer kleine tandjes, b.v. de bloembladen van Anagallis Monelli,   V. HALL, Beg. d. Plantk. 111 [1836].
Fijngetand Takmos, met een' bijna enkelvoudigen stronk, tweezijdig gesteelde, lancetvormige, zeer effenrandige bladen enz.,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 2, 59 [1818].
De kegels (van den ceder) zijn eirond …, met grote fijngetande schubben en ongeveer 10 cm lang,   Hout in alle T. 1, 606 [1949].
Fijnhout.
Fijnhout. Hoewel er geen scherpe grenzen zijn te trekken, rangschikt men onder deze naam alle fraaie en meer kostbare overzeese en Europese houtsoorten, zoals teak, palissander, coromandel, eiken, noten, esdoorn, essen en misschien 40 andere,   Bouwk. Encyclop. [1954].
Fijnkolen, fijnkool, fijne, gruisachtige steenkool; als vakterm: kool van bep. zeer geringe korreldikte.
  V. DALE [1914 ].
Fijnkool (1-5/10 en 0-5/10 mm),   Mijnbouwk. Nomencl. 174 a [1949].
  Wdl. C.T.T. N 5034 (Mijnbouwk.) blz. 22 a [1952].  Bouwk. Encyclop. 2, 141 b [1955].
— Hij moest monsters van fijnkolen, cokes, teer, gas, ammoniak enz. uit de bedrijven halen,   NOLTING, Knokenflip 16 [1949].
In deze wasserij werd ook het tussenproduct gewonnen … dat, gemalen ter grootte van fijnkool, nog goede ketelbrandstof oplevert,   Mijn en Spoor 13 b [1952].
Fijnkorrel (zie ald.).
Fijnkorrelig, vandaar: Fijnkorreligheid.
1°. In het alg., artill.
Men heeft … artillerie-, en infanterie-buskruid; zij onderscheiden zich door de grofkorreligheid van het eerste, door de fijnkorreligheid van het laatste,   LANDOLT 1, 90 [1861].
Naarmate de korrel grover of fijner is, spreekt men van Grofkorreligheid en Fijnkorreligheid, welke gewoonlijk op de breuk is te beoordeelen,   ZWIERS 1, 657 b [1918].
2°. Phot.
Fijnkorreligheid van beeld,   BOERHAVE BEEKMAN, Wood Dict. 2, n° 1362 [1966].
Fijnkorrelijzer (zie ald.).
Fijnmazig.
  V. DALE [1976].
— Tressengaas is fijnmazig draadgaas van koper, messing of vertind koper,   Bouwk. Encyclop. 2, 512 b [1955].
Fijnmazig behangerslinnen,   V. DALE [1976].
Fijnpapier.
Fijnpapier, samenvattende aanduiding voor papier, gefabriceerd van de beste grondstoffen, in de eerste plaats gebleekte lompenpulp,   Encyclop. Materialenk. [1962].
Witpapier … ook grafisch papier, fijnpapier. Papier voor schrijf-, druk- en tekenwerk,   Wdl. N.N.-I. NEN 3376-1 (Papier) 55 [1967].
Fijnregelaar.
Om de zuivere hoogte te kunnen meten is de wijzer (van een sextant) voorzien van een nonius of fijnregelaar met haarschroef,   BREIJER, Veilig varen 161 [1946].
Fijnregeling.
  CLASON, Dict. Nucl. Science 210 a [1970].
— Een afwijking van enkele cm is nog te groot; dat mogen niet meer dan enkele millimeters zijn. Voor de fijnregeling dienen de pooten (aan de tunnelstukken voor de Maastunnel),   Natuurk. Voordr. N.R. 17, 91 [1939].
Fijnschilderen, schildertechniek met gedetailleerde uitdrukking van de voorstelling.
Dat de mogelijkheid is ontstaan om met de rasterdiepdruk een waardiger effect te krijgen dan de ontstellend slechte fotoreprodukties die men in sommige landen ziet, door het `fijnschilderen', waarin in Nederland Pyke Koch, Hynckes, Willink, Fernhout e.a. kwaliteiten hebben bereikt,   DE MOOR, Postzegelk. 182 [1960].
Fijnspar.
1°. (Plantk.) Veel voorkomende sparsoort, leverancier van vurenhout en bekend als kerstboom (Picea Abies L. of Picea excelsa Link). Ook, meton., ter aand. van het hout.
  V. DALE [1950 ]. Papier op P. [1959].
  HEUKELS-V. OOSTSTROOM, Flora 140 [1970].
— Oorspronkelijk gebruikte men voor aanplant de grove den; de laatste jaren wilde het echter met deze boom niet vlotten. Men heeft het toen geprobeerd met de fijnspar en de grove lariks,   REIJS, Nederl. 157 [1940].
De meeste naaldhoutsoorten hebben een in verhouding lange houtvezel …. De nagenoemde vezellengten geven hiervan een inzicht: Fijnspar (Picea) 2,6 tot 3,8 mm Pijnboom (Pinus) 2,6 tot 4,4 mm enz.,   Bouwk. Encyclop. 2, 96 a [1955].
Het ongetwijfeld mooiste Vurenhout, Picea excelsa Lk, afkomstig van de Fijnspar, kwam uit Rusland,   Hout in alle T. 6, 252 [1955].
2°. (Palaeontol.) Spar uit vroegere geol. perioden; Picea engleri.
Als vijfde producent van de hars moet worden beschouwd de Fijnspar Picea engleri,   Hout in alle T. 1, 186 [1949].
Fijnzand, fijn zand; als vakterm: zand van een bep. zeer geringe korreldikte.
Fijnzand. Deeltjes met een diameter tussen 0,2 en 0,016 mm,   JACKS, Vocab. Soil Science 31 [1954].
— Den 2den April dezes jaars zaaide ik de mij toegezonden 20 Ned. p., gemengd met gelijk volume fijn- of klapzand uit op 264 vierk. ellen, en ploegde dezelve te gelijk met polderboonen onder,   in Boeren-Goudmijn 4, 1, 126 [1857].
De voegspecie dient een aardvochtige consistentie te bezitten en bij voorkeur met een zo hoog mogelijk fijnzand samengesteld te worden,   Bouwk. Encyclop. 2, 581 a [1955].
Vandaar: fijnzandig.
De zee blijft stijgen en hoogt de lage kusten op met fijnzandige en kleiige sedimenten,   Natuurk. Voordr. N.R. 11, 94 [1933].
Diep ontkalkte, hoog gelegen zavelgrond, met voldoend dikke … bovengrond, geleidelijk overgaand naar een fijnzandige, slibhoudende ondergrond,   Ts. Ned. Heidem. 61, 78 [1950].
Fijnzinnig (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.