Koppelingen:
Vorig artikel: FROU-FROU Volgend artikel: FRUCTIFICEEREN

FRUCTIFICATIE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: fructificatie

znw. vr., mv. -s. Uit fr. fructification (14de e., 1782 in de plantk.); eng. fructification (1615, 1764 in de plantk.), du. fruktifikation.
(Plantk., geneesk.) Het vrucht dragen; vruchtvorming, vruchtzetting, vruchtontwikkeling, bevruchting, resp. periode dat dit gebeurt; concr. ook: dat wat vruchtvorming vertoont.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  DE HAAN en DEKKER, Wdb. Geneesk. [1955-'56].
— Tenslotte … is van eenige wiergroepen … ook aanteekening gehouden omtrent het optreden van fructificaties, en wel naar aanleiding van het opmerkelijke verschijnsel eener gelijktijdige sporenvorming van soorten uit die groepen, in de vrije natuur,   BEIJERINCK, Zoetwaterw. 7 [1927].
De Lepidodendron … is beter, echter met hangende takken, een habitus, die men nog lange tijd aantreft en die zeker tot slechts enkele soorten met rijke vertakking in de kroon en kleine bladeren beperkt was. De fructificaties hangen als grote dennekegels naar beneden,   Hout in alle T. 1, 89 [1949].
Gelukt het om een houtaantastende schimmel uit het hout te isoleren, dan bestaat de mogelijkheid, dat deze geïdentificeerd kan worden. Het identificeren geschiedt door te trachten de cultuur tot fructificatie te brengen, zodat zij aan het vruchtlichaam gedetermineerd kan worden,   Hout in alle T. 6, 119 [1955].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.