Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: GELIJDEN Volgend artikel: GELIJK II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

GELIJKI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: gelijk

bnw. en bijw.; gelijker, gelijkst, of meer — en meest gelijk. Goth. galeiks (SCHULZE 196); ohd. gilîh (GRAFF 2, 110); mhd. gelîch (LEXER 1, 812); nhd. gleich; osaks. gilîk (HEYNE, Hêl. 253); ags. gelîc (ETTM. 183); onrd. glikr (JONSSON 341); ofri. lik (RICHTH. 901); mndd. gelîk (SCHILLER-LÜBBEN 2, 43); mnl. gelijc. Van het znw. Lijk, in den ouden zin van voorkomen, uiterlijk (zie bij LIJK), met het voorv. Ge- in de bet. mede (III, 8), en dus oorspronkelijk zooveel als: hetzelfde voorkomen hebbende. Verg. lat. conformis.
+I.  Als bijvoegl. naamw.
+II.  Als bijwoord.
Afl. Gelijk, als znw. en als voegw.
gelijke, gelijkelijk, gelijken, gelijkenis, gelijkheid; en ongelijk, bnw. (zie die woorden). Verouderd: Gelijkigheid (zie ald.).
Samenst. afl. Gelijkaardig, gelijkbeenig, gelijkdrachtig, gelijkdradig, gelijkhoekig, gelijkjarig, gelijklastig, gelijklijnig, gelijkmatig, gelijkmiddelpuntig, gelijkmoedig, gelijknamig, gelijkslachtig, gelijksnedig, gelijksoortig, gelijkstandig, gelijkstemmig, gelijkstondig, gelijktijdig, gelijktonig, gelijkvleugelig, gelijkvormig, gelijkzijdig (zie die woorden).
— Verouderd: gelijkklankig, gelijkredig, gelijkstaltig, gelijkwichtig, gelijkzinnig (zie die woorden)
gelijkzweemig, gelijkend, van zweem, gelijkenis (”vermits de gelykzweemige gedaente zoo kennelyk by alle de afzettelingen uytblinkt,” L. TEN KATE, Gemeenschap, 18).
Gelijkdraadsch, gelijktandsch, gelijkvloersch (zie die woorden), en de bijw. Gelijkgronds, gelijkstraats, gelijkvloers (zie die woorden). Bij HOOFT gelijksvoets (zie ald.).
Samenst. Gelijkteeken (zie ald.). In verbogen nv. Gelijkerhand, gelijkerwijze (zie die woorden).
— Als bijw. in gelijkeveel en gelijkewel (zie die woorden).
— Met ww. Gelijkbreien, gelijkkloppen, gelijkknippen, gelijkliggen, gelijkmaken, gelijkschaven, gelijkscheren, gelijkstellen, gelijkstemmen, gelijkstrijken, gelijktrekken, gelijkvijlen, gelijkzetten (zie die woorden). — Als bijw. in gelijkgaan, gelijkkomen, gelijkloopen, gelijkstaan (zie die woorden).
— Met tegenw. deelw. Gelijkbeduidend, gelijkbeteekenend (zie die woorden). — Als bijw. in gelijkluidend, gelijkvloeiend (zie die woorden).
— Met verl. deelw., als bnw. genomen. Gelijkgeschoeid, gelijkgezind (zie die woorden).
— Als tweede lid. Dergelijk, diergelijk, soortgelijk (zie die woorden). En voorts in een aantal samenstellingen in den hoogeren of dichterlijken stijl, waarin het eerste lid of in den 2den nv. is uitgedrukt of in den 3den nv. gedacht wordt, als: Doodsgelijk (”Een ieder wie het ziet, met groote schrick bevangen, Gevoelt een killig hert, en doods-gelijcke wangen,” CATS 2, 480 a [1655])
menschgelijk (”Het mensch-gelijck geluyd van pijpen soet en sterck, Is wel en stichtelick te besigen op aerde,” HUYGENS 2, 45 [1656])
rankgelijk (”Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom … zou wenschen te omvangen,” V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 95 [1871])
roosgelijk (”Een roosgelijcken mont en wil geen bleycke lippen,” CATS 2, VII b [1635]; ”dien roosgelyken mond, Dien blanken hals, die vlechten dicht en blond,” DE DECKER 2, 293 [1666]; ”Een roosgelijken weerschijn blaast Op 't sneeuwen bladsatijn,” HOFDIJK, Bred. 7)
vlamgelijk (”Elias sag wel eer een wagen nederdalen, Bedeckt met enckel vuur en vlamgelijcke stralen,” CATS 2, 346 b [1655])
zongelijk (”Dat ick verdoven sie de songelijcke glans … van u oogen schoon,” HOOFT, Ged. 1, 31 [c. 1603]); enz.
— Als bijw. Algelijk (zie ald.). Dichterlijk: Kolomsgelijk (”Dan steeg … Kolomsgelijk de gloed omhoog,” V. LENNEP, Poët. 6, 167 [1831]).

Aanvulling bij GELIJKI

Samenst. en kopp. Gelijkberechtigd. Alleen onrechtstreeks geattesteerd in de afl. gelijkberechtigdheid, het hebben van dezelfde rechten.
Het enige advies, dat naar mijn … opinie de Staatskommissie kan geven, is dit: gelijkberechtigdheid van iedere spelling die zooveel aanhangers heeft en wetenschappelik zo goed gegrondvest is als de vereenvoudigde,   in Vragen des Tijds 36, 1, 145 [1909].
Langslapers werden in het groote militaire huishouden niet geduld. Ook niet, wanneer wij in 't holle van den nacht waren thuisgekomen. Maar die gelijkberechtigdheid namen wij gaarne op den koop toe,   VOGT, Radiolev. 29 [1933].
Gelijkberechtiging, het toekennen van dezelfde rechten.
Men kan … nadruk leggen op de rechtsvraag, niet het minst, omdat in de voorafgegane periode de burgerklasse voor gelijkheid van rechten was opgekomen, maar deze leuze had geinterpreteerd als gelijkberechtiging der burgerij met adel en geestelijkheid,   BANNING, Maatschappij-probl. 94 [1955].
Gelijkgeaard. Alleen onrechtstreeks geattesteerd in de afl. gelijkgeaardheid, gelijkheid in aard, in wezenlijke hoedanigheden.
Het blijkt nu uit het doen van alle menschen dat zij, bewust of onbewust, hun gelijk-geaardheid aannemen,   V. EEDEN, Stud. 3, 187 [1897].
Gelijkgericht, dezelfde richting, gerichtheid hebbend. In de aanh. in stoff. zin, van (gelijk)stroom, physische krachten e.d.
Bij gelijkgerichte koppelkrukken verminderen de scheendrukken met de skv- resp. skn-krachten, terwijl bij tegengesteld gerichte koppelkrukken de scheendrukken vermeerderen met de skv- resp. skn-krachten,   Spoorwegtechn. 3, 168 [1937].
Onverschillig in welke richting het voertuig rijdt, moet de stroom toch in dezelfde richting blijven gaan; de dynamo moet dus altijd een gelijkgerichten stroom afgeven,   Spoorwegtechn. 3, 419 [1937].
Gelijkgerichte krachten,   V. DALE 765 b [1976].
Vandaar: gelijkgerichtheid, dezelfde, gemeenschappelijke gerichtheid.
Ook de romantische kunst kent wanorde, maar zij is daar consequent, en kan steeds den indruk wekken van een harmonie, die niet te danken is aan de heerschappij van den vorm, doch aan de natuurlijke gelijkgerichtheid van twee vormloosheden,   VESTDIJK, Lier en Lancet 217 [1937].
In de tweede plaats impliceert de gelijkgerichtheid van de medewerkers een onderlinge samenwerking, waarin eigenlijk geen plaats is voor conflicten,   SLIKBOER, Bedrijfsorg. 101 [1946].
Gelijkmaker.
1°. Waterpas.
  V. DALE [1872].
2°. (Sport) Doelpunt waardoor de stand gelijk gemaakt wordt.
  V. DALE [1976].
— De Engelsen wilden de gelijkmaker, die hun eer kon redden en de Nederlandse vreugde doven,   OTT, Gew. Man 306 [1937].
Toen wij vroegen of het schot, waarmee hij de gelijkmaker scoorde, een reflex was,   Telegraaf 29 Sept. 1958, 9 a.
Gelijkmaking.
1°. Gelijkenis; overeenkomst (?). Sinds lang veroud.
Aue maria Die onser toornlijcker ende begheerlijcker cracht is een alder suetste ruste … Die alder werckinghe naeden wille gods is een bequaem ghelijckmakinghe,   Diets Gebedenb. 255 [151.].
2°. Assimilatie; opneming en omzetting (van voedsel) in organisch weefsel.
Ziet gy niet die (zaaken), welken op de middelweg tusschen de darmen en de aderen de Chyl ontmoeten? Deze schynen voorwaar tot vier (hoofden) byzonder te konnen gebragt werden. 1. Tot de bewegingh door de darmen …. 2. Tot de uytwendige beweging …. 3. Tot verdunningh …. 4. Tot gelykmaking met al de deelen van 't lichaam, eer dat die ingaat in de bloedvaten,   BOERHAAVE-LÓVE, Geneesk. Onderw. 71 [1745].
Zoo bestaan alle verrigtingen, die wij aan deze dierlijke wezens kunnen toekennen, in eene soort van gelijkmaking der voedende stoffe (assimilatie) en van voortteling,   Nat. Verh. Maatsch. Wet. 6, 2, 35 [1812].
3°. Egaliseering, effenmaking (van grond).
  V. DALE [1872 ].
— Ik (ben) niet vreemd om te gelooven, dat eene enkele gelykmaking van sommige Voorduinen, door het inwerpen van het zand der hooge duinen in de holten der lagere, een goed uitwerksel hebben zou,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 19, 2, 35 [1780].
4°. Het gelijkwaardig maken.
Het is er intusschen verre van af, dat wij voor ons van gedagten zijn zouden, dat de gelijkmaaking van het reële en nominaale bankgeld zo volstrekt noodzaaklijk is om aan het oogmerk van het Intermediair Gemeentebestuur te voldoen,   R.G.P. 59, 581 [1802].
5°. Het conform maken (?).
Het theoretisch onderwijs …: Genie van den Landbouw, omvattende de eerste beginselen der algebra, de vlakke meetkunde, de inhouds-meetkunde, de landmeting, het teekenen van platte gronden, de gelijkmaking, het regtlijnig teekenen, de beginselen der werktuigkunde,   Boeren-Goudmijn 6, 1, 355 [1860].
6°. Afkanting (van steen, metaal, hout).
  V. DALE [1872 ].
7°. (Wisk.) Methode der gelijkmaking, methode om een vergelijking op te lossen door de eerste leden gelijk te maken.
Gelijkmaking …; (wisk.) de methode der gelijkmaking, een der wijzen om vergelijkingen op te lossen, waarbij men de eerste leden gelijkmaakt,   V. DALE [1976].
Gelijkrichten.
1°. Dezelfde richting hebben of geven.
  V. DALE [1914 ].
2°. (Electr.) M. betr. t. wisselstroom: in gelijkstroom omzetten.
  V. DALE [1950 ].
— Het stelsel werkt dus als een ventiel, of heeft, zooals men zegt, een ventielwerking of gelijkrichtende werking; er ontstaat een meer of minder volkomen intermitteerende gelijkstroom,   SWIERSTRA, Radio 1, 71 [1925].
Gelijkrichter, gelijkschakelen (zie die woorden).
Gelijkspanning, (electr.) spanning bij gelijkstroom.
  V. DALE [1976].
— De electrische verwarming is ingericht voor gelijkspanning van 1500 Volt en voor wisselspanning van 1000 Volt,   Spoorwegtechn. 3, 455 [1937].
De spanning, meestal gelijkspanning, wordt opgewekt door een dynamo met permanente magneet, die met de hand gedreven wordt,   Bouwk. Encyclop. 1, 583 b [1954].
In de slee is een scintillatieteller gebouwd, die gevoed wordt door een hoogspanningseenheid met 1700 à 2000 V gelijkspanning,   Deltawerken 6, 26 [1958].
Gelijkspel.
1°. Spel met gelijke kansen bij aanvang. Sinds lang veroud.
Zo A voor d' 1e mael trekkende een witte schijf aantreft, zo is het spel uit, en niemand verliest of wint daar iets bij, maar elk blijft in zijn geheel, gemerkt er in 't begin van 't spel niets is ingezet, en datter gelijk-spel wert gepraesupponeert, dat is, dat de conditien eer 't spel is begonnen van A zo goet zijn als die van B, en in tegendeel die van B als die van A: Zo dat het dan eveneens is of A eerst trekt, dan of hij 1 ducaet inzet en B laat trekken,   CHR. HUYGENS, þvres 5, 407 [1665].
2°. Onbeslist eindigend spel.
In de pauze vraag ik wat hij ervan (van een stierengevecht) vindt. Hij zegt er zit een gelijkspelletje in,   Telegraaf 1 Aug. 1966.
Gelijkstroom (zie ald.).
Gelijkervoege, in de verb. in gelijkervoege, op dezelfde wijze; in gelijke mate. Veroud.
In gelykervoege de Munt by N, staende in den droessem, schoon in 't begin kleinder dan die by M (staende in 't overgehaelde Water) had twintigmael meerder toegenomen als de Munt by M; en slegts omtrent half zo veel Water gespilt of door laten gaen,   in V. RANOUW, Kab. 8, 3, 54 [1724].
Wanneer de Opening R grooter is dan de Opening G, zo zal in gelykervoegen, de Oppervlakte OP, in 't Waterpas zakken, tot gelyk met het Midden of wat meer of min van de Opening R,   VELSEN, Rivierk. Verh. 23 [1768].
Hierop naderden de Heeren Predikanten met hunne Kerkenraden, en alle verdere Collegien en corps, en deden in gelykervoege eene gepaste gelukwensching,   N. Ned. Jaerb. 1770, 929 [1770].
Gelijkwaardig, dezelfde waarde hebbend, hoewel verschillend in vorm, hoedanigheden of soort; o.a. in toep. in de exacte wetensch. op grootheden uit versch. stelsels die herleidbaar zijn tot elkaar; aequivalent.
Equivalent, gelijck-waardigh,   Woorden-Schat 55 [ed. Haarlem, 1650].
  V. DALE [1872 ].
— Een gelykwaerdige dienst (t.w. een functie bij sommige planten) … als die van 't aenhangsel aen 't blinde gedarmte in den Mensch, 't welk zoo gestelt is, dat het zyn Sap, het welk het afscheid, zenden kan in de holligheid van 't gedarmte om die wanden te beglibberen,   in V. RANOUW, Kab. 8, 3, 103 [1724].
Bijv. 1 calorie (warmte) is gelijkwaardig met 425 kilogrammen arbeid. Men noemt 425 het mechanisch warmte-equivalent,   ZWIERS [1917].
Vaststelling van een nieuw Reglement voor het eindexamen van de openbare en daarmede gelijkwaardig verklaarde bijzondere muloscholen,   Stbl. v. N.-I., Bijbl. 69, blz. 322 [1931].
Gelijkwaardige uitdrukkingen,   V. DALE [1976].
Vandaar: gelijkwaardigheid.
  V. DALE [1872 ].
— Iemand, die de heiligmakende genade nog niet bezit, of haar weer verloren heeft, kan niet verdienen in strikte zin of, zoals men dat noemt, naar gelijkwaardigheid,   Kath. Kerk 1, 498 [1943].
Hij is … hartstochtelijk verdediger van de levende, de gesproken volkstalen, wier gelijkwaardigheid aan de klassieke talen (Hebreeuws, Grieks en Latijn) hij duidelijk stelt,   O.K.W. Med. 26, 22 c [1962].
Gelijkzwevend, (muz.) van de stemming van instrumenten: zoodanig dat er een gelijkmatige verdeeling is van de intervallen tusschen de twaalf tonen van een octaaf. In verb. als gelijkzwevende temperatuur, stemming e.d.
  V. DALE [1914 ].
— Zo deze gelyk zwevende temperatuur (zo als men die noemt) over al eenparig is, wat hoeft men dan een spel op de kleine verhevene toetsen met d'uiterste moeyelykheid te spelen daar men 't zelfde met gelyke verdeeling van klanken, op gemakkelyke toetsen beter verrichten kan?   V. BLANKENBURG, Elem. mus. 1, 95 [1739].
Hier volgt een opgave van de trillingsgetallen der meest gebruikelijke tonen, berekend naar de gelijkzwevende temperatuur, met de normale a′ van 435 trillingen als uitgangspunt,   BOSSCHA-V. SCHAIK 156 [1900].
Al moet dan ook het vinden der gelijkzwevende stemming voor een nederlander gevindiceerd worden, zoo is zij niettemin eerst later in Duitschland in practijk gebracht,   Ts. N.-Ned. Muziekgesch. 8, 230 [1908].
Aan de invoering op het einde van de 17de eeuw van de evenredige stemming, de z.g. gelijkzwevende temperatuur, welke eindelijk de mogelijkheid bracht (zij het ten koste van de zuiverheid, vooral der tertsen) van onbeperkte modulatie naar de meest verwijderde toonsoorten, zonder dat een huilende ”wolf” langer een aesthetisch halt toeriep,   Mensch en Melodie 1, 20 a [1946].
Vandaar: gelijkzwevendheid.
Terwyl de gelykzwevendheid, die over alle de klanken gelykmatig rond gaat, by gevolg dan ook de musiec laf maakt,   V. BLANKENBURG, Elem. mus. 1, 116 [1739].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1885.