Koppelingen:
Vorig artikel: GEVLAMD Volgend artikel: GEVLECHTEN

GEVLECHT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: gevlecht

GEVLICHT —, znw. onz., mv. -s eenmaal aangetroffen in de bet. 1). Van den stam van vlechten met ge-. Niet in Mnl. W.
1.  Vlechtwerk; uit vlechtwerk gemaakte zaak. Veroud.
Het bedde … Ghedeckt met Zyden, of Gaude ghevlicht,   V.D. MEULEN, Ketiuigh. 141 [c. 1500].
Hoeden … driels gevlecht een mande ofte sack,   bij ALLAN, Haarlem 2, 36 a [1516].
Antwerpen treyn Julius ghestichte Quam in, up elcx mauwe den roosen hoet Al root abyt, tanneyt int ghesichte Was elcx hoet, ende ooc tghevlichte Was een witte vaessche die edelick stoet,   bij DE JONGE, N.-Ned. Costuumgesch. LXIIJ [1531].
Gevleghts, Driels ofte Hoeden, de sack 0-3-0,   Gr. Placaetb. 5, 949 b [1716].
2.  Het vlechten, het tot een streng ineenvlechten (van hoofdhaar).
Het azuur trilt als van het zware Lied dat verslaafde vrouwen Onder 't gevlecht van hun haren Als laatste onschuld ontvouwen,   SLAUERHOFF 3, 47 [1936].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.