Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: IJP, IJPEBOOM Volgend artikel: IJSBAAR I
Etymologie: EWN, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

IJS

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: ijs

znw. onz. Mnl. ijs, mnd. îs, ohd., mhd. îs, hd. eis, ofri., ags. ís, eng. ice, on. íss. Verwante woorden buiten het Germ. zijn niet aan te wijzen.
+1.  De naam voor bevroren water, in toepassing op de bevroren laag die bij vorst de wateren bedekt (het ijs), op losse stukken, of als stofnaam.
Een zwaer stick hys,   EVERAERT 94 [1525].
Dat anno XV. hondert X. …, een Steeckspel op de Vrydachmerckt ten yse ghehouden was,   V. VAERNEWIJCK, Hist. v. Belgis 126 a [1566].
Den 4. Julij seylden wy o, ten n. aen, ende vernamen geen ys,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 1, 25 a [1598].
Eerstelyk, onderscheid men het Ys in Velden, Flarden en los Ys,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 363 [ed. 1727].
De Ordonnantie op het byten van het ys gemaakt,   Utr. Placaatb. 3, 605 a [1581].
Den 23. was te Elsenor (als het noch vast Ys lach) een Waeghals, hy wilde over de Sont op 't Ys na Helsingborg,   Holl. Merc. 1665, 22 [1666].
Graef de M. nam selfs plaisir dese dagen het rijden ten yse te gaen sien,   1672, 4.
Den koelen wijn … Die altijdt in het ys den heelen Somer stont,   POIRTERS, Mask. 298 [ed. 1688].
Ende ondertusschen veel ijs de rivier afkomende, raeckten wij daer midden in,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 305 [1694].
Beschouw dat guur Gewest, met eeuwig ijs bedekt,   DE LANNOY, Dichtk. W. 137.
(Hij) was … door de bewegingen, die hij in zijnen angst maakte, onder het ijs geschoten,   LOOSJES, Lijnsl. 2, 258 [1808].
Gekraak Van hortend ijs op ijs,   TOLLENS 5, 129 [1819].
Dan komt er een scheur in 't ijs,   BEETS, C.O. 221 [1840].
Dat … er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden gehakt is,   222.
Het was heerlijk geweest; veel menschen op het ijs,   COUPERUS, E. Vere 1, 203 [1889].
Harddraverij op schaatsen, te houden, ijs en weder dienende, op enz.  
2.  Benaming voor bevroren room, vruchtensap enz. als lekkernij.
Voor duizend guldens aan ys en sieraadjen voor het desert,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 4, 139 [1793].
”Lig daar, verachte vork” — zoo denkt gij, en versmaadt IJs, marasquin en ooft,   BEETS 1, 43 [1833].
Ik min dat zoete feest van suiker en likeur, Het zielverkwikkend ijs, de schuim der limonade,   DE GÉNESTET 1, 201 [1849].
+3.  In overdrachtelijk gebruik.
Afl. IJzen (zie ald., 2de en 3de art.), ijzig, beijzen (zie die woorden). — IJsachtig (”Aen de Zona die ijsachtigh is”, Begin e. Voortg. 7, 47 a [ed. 1646]; ”De Hagelsteenen … zyn … regendruppen en waterdeelen, die, door ysagtige deelen, in het nederdaalen, bevriezen of saamenstollen”, BERKHEY, N.H. 1, 291 [1769]); ook in den zin van verkleumd (”Traenen, … die het ijs-achtigh Kindeken eenighe waermte hielpen gheven”, V. HOUCKE, Nederl. Sus. 119).
IJswaart(s), bijw. In de richting van het ijs, naar het ijs toe. Uitdr. der walvischvaarders. (Verg. landwaarts, zeewaarts) (”Een gat verder Yswaart geleegen”, ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 363 [ed. 1727] (zie ook een voorbeeld hieronder bij IJsboom).
Samenst. afl. IJsbreker (zie ald.).
Koppel. en Samenst. (als tweede lid). — In de bet. 1) Bankijs, blokijs, bomijs, drijfijs, duinwaterijs, grondijs, heusijs, kelderijs, kraakijs, kuipijs, kunstijs, landijs, overgangijs, paardenijs, pijpijs, schaalijs, sneeuwijs, veldijs.
— In de bet. 2) Aardbeienijs, frambozenijs, koffieijs, roomijs, vanilleijs, vruchtenijs enz.
Als eerste lid in
IJsazijn, geconcentreerd en gekristalliseerd azijnzuur.
IJsbaan, eene berijdbare, inzonderheid eene berijdbaar gemaakte en gehouden ijsoppervlakte; ook een terrein waar een ijsbaan pleegt aangelegd te worden.
IJsbank, ijsmassa door de opeenstapeling en aaneenhechting van drijfijs ontstaan, die zich over eene groote lengte uitstrekt.
IJsbeitel, beitelvormig ijzer aan een langen steel, om bijten mede te hakken.
IJsbeker, in de aanhaling blijkbaar koelvat.
1 tinne ysbeeckertje  (uit een 17de-eeuwschen inboedel)   in Nav. 5, 66 c.
IJsberg, groote en hooge drijvende ijsmassa, gelijk er zich in de poolzeeën vormen.
Hun schip …, door storm in volle zee tegen de IJsbergen geworpen,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 3 [ed. 1727].
Hoe dat … de Schepen … beoosten Spitsbergen nevens een grooten IJsberg en onder 't Zuidys gingen Visschen,   180.
IJsbijl, bijl om het ijs mede open te hakken.
4 Ysbylen (in eene opsomming van benoodigdheden),   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 336 b [ed. 1727].
IJsbijt, bijt, opengehouden plaats in het ijs.
D'ysbyt naaulyks opgebroken …, Zal enz.,   OUDAAN, Poëzy 4, 192.
Het openen en openhouden der ijsbijten vóór de gebouwen,   Alg. Voorschr. 1901, § 305.
IJsbijten, ww.
Ordonnantie …, waar na alle de Gebuurten haar zullen reguleeren in het Ys byten van de Borgwal,   Utr. Placaatb. 3, 605 [1581].
IJsblink: deensch, zw. isblink; eng. iceblink, enz. Zie de aanhaling.
IJsblink noemen de zeelieden den helder witten glans aan den gezigteinder, die uit den weerschijn van de ijsvelden ontstaat,   C. DE JONG, Handwdb. 215 b [1869].
IJsbloemen, op bloemen gelijkende figuren door ijskristallen op vensterruiten enz. gevormd.
Zij … krabde de ijsbloemen van de ruiten,   COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 81 [1864].
Haar slaapkamer …, waarvan de ramen nog eenige smeltende ijsbloemen vertoonden,   COUPERUS, E. Vere 1, 40 [1889].
Ijsblok.
Oock speeldemen op de voornoemde merct … met ijsblocken,   V. VAERNEWIJCK, Hist. v. Belgis 126 a [1566].
IJsbok, houten bescherming tegen ijsgang voor brugpijlers enz. geplaatst.
IJsboom, boom om ijsschotsen weg te duwen.
De maats … Kruipende over eenige ijs-boomen van d'eene schots op d'ander, ijs-waard in, op hoop van op een veld te sullen komen,   Selds. Walvisv. 45.
IJsbord, losse houten bekleeding van een schuit als bescherming tegen de schuring van het ijs.
IJsbout, zekere winterstoofpeer.
Ysbolten en suycker-peeren,   VISSCHER, Brabb. 114 [c. 1600].
IJsbouten, 1e. kwaliteit stoofpeer,   Bloesem en Vrucht 1, 1 [1904].
IJsbreukig, van rijshout: door vastvriezen in het ijs gekneusd.
De rijsbossen … mogen niet ijsbreukig, maar moeten recht en gaaf zijn,   Alg. Voorschr. 1901, § 440.
IJsbrok.
Dusdanige afgebrooken IJsbrokken,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 100 [ed. 1727].
IJsbrug.
Ysbruggen te leggen, over welken men van den wal op 't ys komt,   WAGEN., Amst. 2, 473.
IJsclub, vereeniging die een of meer ijsbanen onderhoudt; bij overdracht: door eene vereeniging onderhouden ijsbaan.
Terwijl (zij) … naar den IJsclub aan de Laan van Meerdervoort waren getogen,   COUPERUS, E. Vere 1, 197 [1889].
IJsdam, dam die zich in eene rivier vormt, doordat het drijfijs zich vastzet en ophoopt.
Bij menschenheugenis (hebben er) boven Zalk tot Kampen geen ijsdammen in de rivier gezeten, die eenig gevaar deden ontstaan voor de dijken,   Onderz. Landb. 1886, 10, 4 [1890].
IJsdrift.
Een ysdrift, die, door 't schuuren van de baaren Vlot raakende, op een dyk of paalwerk met gewelt Aanschuiven komt,   SCHERMER 124 [1709].
IJsduif, zekere soort van sierduif.
IJsduiker, zekere inheemsche vogel, Urinator glacialis L.
IJsduivel (Z.-Ndl.), jongen die aldoor op 't ijs te vinden is.
IJseend, zekere 's winters in ons land aangetroffen eendensoort, Harelda hyemalis L.
IJsemmer, stuk tafelgereedschap waarin stukjes ijs ter verkoeling van dranken bewaard worden (inzonderheid in N.-Indië).
IJsfabriek, fabriek van kunstijs.
Bierbrouwerij en ijsfabriek D'Oranjeboom.   poëem WNT
IJsgang. — 1°. Het zich bewegen van drijfijs in groote hoeveelheid langs eene rivier of een door het getij stroomend water.
In tyde van windt en weder oft ysganck,   Handv. v. Amst. 93 b [1548].
Een af-beeldinge van den grouwelijcken Ys-gangh op de Haven,   V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft, 129.
Toen zij gezien hadden, dat de ijsgang zelf de brug niet had vernietigd,   CONSC. 4, 327 b [ed. 1869].
Verlies van of schade aan voor een werk bestemde … bouwstoffen, ontstaan door dijkof oevervallen, ijsgang, storm, stormvloed, enz.,   Alg. Voorschr. 1901, § 475.
2°. In Z.-Ndl. De gladdigheid bij ijzel of bij opnieuw bevroren sneeuw. Zie CORN.-VERVL.
IJsgebergte, ijsberg of ijsbank van groote afmetingen.
A°. 1565 … is een Ys-gebercht ghecomen op 't hoeft tot Delfs-haven,   bij V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft, 129.
IJsglas, benaming voor sommige soorten van sierglas waarvan huishoudelijke voorwerpen vervaardigd worden en die min of meer het voorkomen van ijs hebben, hetzij door een ruw, brokkelig oppervlak, hetzij door tallooze kunstmatig aangebrachte en weder toegesmolten barstjes.
IJsgors, zekere 's winters hier aangetroffen vogel, Calcarius Lapponicus L.
IJsgrond, zekere soort van zeer fijne kant, ook ielplat geheeten. Zie de Zuidndl. idiotica.
IJshaak, metalen haak om in het ijs te slaan; stok of boom met zulk eene haak voorzien.
Men (maakt) de schepen met groote yshaaken, van hecht en sterk touw verzien, aan deeze Ys-Velden vast,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 99 [ed. 1727].
De jongens … kapen ze (den meisjes) de losse hoedjes van 't hoofd … en rijden er in triomf mee rond op de punt van hun ijshaakjes,   BEETS, C.O. 221 [1840].
IJshamer, langgesteelde houten hamer, waarmede het ijs (om schepen) wordt stukgeslagen.
IJsheiligen, benaming voor de heiligen Mamertus, Servatius en Pancratius, op wier dagen, 11, 12 en 13 Mei, men vaak groote koude waar kan nemen; verg. haagdoornkoude in Dl. V, 1340.
IJskaar en ijskar(r)ing, het over elkaar schuiven en zich opstapelen van ijsschotsen in eene rivier, het kruien van het ijs; ook een door het kruien ontstane ijsdam.
Tot wat tyden waters-noot van 't yskaer, als duck gebeurdt, off anders gebeuren magh aen onse dycken,   Geld. Placaatb. 2, App. 26  (yskaringe, 2, App. 108).
Overmitz inopinate tempest, hoeghe inundatie van verbolgen waeteren unde ijsscaer,   in: Bijdr. en Meded. v. Gelre 5, 205.
Een Ys-karinghe, of t'samen gheschoote Ysdammen,   V. OUDENHOVE, Dordr. 81.
Anno 1496: voor Paesschen wordt den Leck-dijck door Ys-karinge door gesteecken,   83.
Dat geen vrees van Inundatie was, als in de winter by Yskarringh en het schuuren van Ysdammen,   Handv. v. d. Alblasserw. 140.
Dat in vroeger eeuwen watervloed en ijskaring zóózeer ons land teisterden,   TUTEIN NOLTHENIUS in Gids 1896, IV, 460.
Bij het … dreunen der ijskaringen,   493.
IJskaas, portie roomijs (in Z.-Ndl.).
IJskamer. Zie bij IJsmolen.
IJskast, kast waarin o.a. aan bederf onderhevige waren door ijs worden koel gehouden.
Een ijskast om de dranken af te koelen,   V. MAURIK, Tòtòk, 168.
Gedurende de zomermaanden wordt het vleesch in de ijskast bewaard (Aankondiging voor slagerswinkels).   poëem WNT
IJskegel, kegel gevormd door het bevriezen van afdruipend water.
(Stukken ijs) die een kleine Kerk verbeelden, met … deuren en venstergaten verzien, waar aan verscheide Yskegels hingen,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 100.
Kille yskegels hangen aen d'ongekemde baerden gevrozen (bij de Scythen in den winter),   VONDEL 5, 114 [1646].
IJskelder, kelder waarin ijs bewaard wordt.
Dat de Wel Ed. Heeren Dykgraaf en Hoogheemraaden van Rynland, wel gaarne den toren achter de Doelen tot eenen yskelder zouden doen bekwaam maaken,   V. MIERIS, Leyd. 414 b.
IJskil, zoo kil als ijs.
Eene yskille, zich altoos in zich zelf intrekkende koelheid,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 139 [1784].
Van ijskil nat ombruist,   STARING 1, 66 [1827].
De ontzettende gebeurtenissen der laatste vier jaren, wier vermelding hem ijskil op het harte viel,   MULDER, J.F. 1, 80 [1857].
IJskletter, in Groningen eene benaming voor de sneeuwgors, Plectrophenax nivalis L.
IJsklomp, massief stuk ijs; ook als voorbeeld van iets zeer kouds of koels.
In West-Gotland heeft het Ysklompen geregend,   DOEDYNS, Merc. 2, 125 [1698].
Vermits uw hart koud is … als een ijsklomp,   CONSC. 2, 91 b [ed. 1868].
”Ze zou je doen stikken van woede.” — ”Mij niet, — dat verzeker ik u.” — ”Neen, jij bent ook zoo'n ijsklomp”,   DAUM, Raad v. I. 302 [1888].
IJskloof, scheur in het hout van een boom, die tot het hart doorloopt, door temperatuurswerking ontstaan; vriesbarst.
IJskorst, laag van ijs die iets bedekt of omsluit; veelal in overdrachtelijk gebruik.
Zulks dat Jan Mayen Eilandt, Spitsbergen enz. … gelykzaam als in een enkele yskorst begraven leggen,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 163 [ed. 1727].
Eene eeuwige ijskorst vriest om zijn hart; geene tranen der ongelukkigen doen die smelten,   V.D. PALM, Sal. 2, 16 [1808].
Deze trouwelooze ijskorst, … onder welke wij meermalen het water hoorden ruischen,   KNEPPELH. 6, 12 [1840].
IJskoud, zoo koud als ijs.
(Hij) voelde … syn herte als met ijscoudt water begoten,   V. MANDER, Uytl. op Metam. 69 c.
Hoe Ys koud moet het herte weezen, Dewyl 't enz.,   LUYKEN, Besch. d. Wer. 23.
”Houwaar”, zegge zy, ”daar is een bak koffy, maar brand u niet”, en zy was eyskoud,   Hs. Letterk. n°. 126, bl. 28 b.
IJskoud van harte,   V. LOVELING, Nov. 204.
Een ijskoude onverschilligheid,   COUPERUS, E. Vere 2, 138 [1889].
IJskristal. IJs in kristalvorm of bij kristal (t.w. de glassoort) vergeleken.
Als weer de lente nadert, En 't ijskristal tot paarlen smelt,   TER HAAR, Ged. 2, 70 [1829].
Snijdt men ze (bevroren planten) door, zoo hoort men een knarsend geluid en op de snede herkent men de ijskristallen aan hare spiegelende oppervlakte,   OUDEM. en DE VR., Leerb. 1, 134.
IJskroo, opeengekruid ijs, ijsbank.
De Davis Straet Daer sulcken diepen zneeuw, daer so een ijs-kroo staet,   WESTERBAEN, Ock. 177 [1653].
IJskropping, het zich vastzetten van drijfijs op eene rivier.
Een doorbraak … veroorzaakt door yskropping en hoog opperwater,   WAGEN., Vad. Hist. 10, 486.
Het Water ingevalle van Ysgang of Yskropping gewassen zynde tot op dertig duimen aan den gemelden Paal, zal enz.,   Gr. Placaetb. 9, 625 b [1780].
IJslepeltje, lepeltje om ijs (in de bet. 2) mede te eten.
IJslooper, persoon die een veerdienst door of over het ijs onderhoudt.
De Ysloopers van Enchuysen op Stavoren,   Handv. v. Ench. 327 a.
Dat eenige Ysloopers … hun niet en ontsien ten tyde van Vorst ende Ys naer Stavoren op te varen, sonder alvooren te hebben geloot,   328 a.
IJsmachine, machine om ijs te maken.
IJsmeer, geheel tot ijs geworden of steeds met ijs bedekte wat rvlakte.
Tusschen dezelven (t.w. hooge bergtoppen) liggen ijsmeeren van veele uuren,die nimmer gantschlijk ontdooijen,   V. HEMERT, Lekt. 4, 96 [1805].
IJsmijn, springlading tot ijsopruiming.
IJsmolen, op eene vischschuit, tot het verbrijzelen van brokken ijs.
De ijskamer, … bestemd om de in de bun gestorven visch voor bederf te bewaren, welk ijs in groote brokken aan boord gebracht, eerst in den ijsmolen moet worden fijngemalen,   's Winters op de Noordzee in Alg. Handelsblad v. 3 Dec. 1898, Avondbl., 2de Bl.
IJsnaald, lang en dun ijskristal, gelijk er zich vormen als een wateroppervlak begint te bevriezen en gelijk er zich bij rijp aan boomen en planten vastzetten.
IJsnagels. Hoefnagels met groote spitse koppen voorzien, die op ijs en sneeuw gebruikt worden.
IJspeerd, prikslede (in Z.-Ndl.).
IJspil, ijsballetje als geneesmiddel.
IJsplant, Mesembrianthemum crystallinum L., sierplant uit Z.-Afrika, welker bladen met vochthoudende klieren bedekt zijn, die op ijsklompjes gelijken.
IJsploeg, soort van ijsbreker.
IJspret(je).
Oude lieden, die … zich, met aangenaamheid bij dit gezigt de ijspretjes van vroegere jaren herinnerden,   LOOSJES, Lijnsl. 2, 256 [1808].
IJsrug, op een gletscher.
Het oversteken der smalle ijsruggen,   KNEPPELH. 6, 13 [1840].
IJsschol, plat stuk drijfijs.
Daer quamen wy weder in groote menichte van ys schollen,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 1, 6 b [1598].
Zij waagt den voet op 't glibbrig pad, En de ijsschol schudt en kraakt,   TER HAAR, Ged. 3, 55 [1853].
IJsschoteltje, schoteltje waarop ijs (in de bet. 2) voorgediend wordt.
IJsschots, hetzelfde als IJsschol.
Wanneer een grooter ysveldt op anderen, die kleinder zyn aandringt, en de kleine ysschotzen zoo veel te snelder voort gestuuwt worden,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 99 [ed. 1727].
IJsschuit(je), schuitje dat zich, op ijzers gelijk die van eene slede, door middel van zeilen over het ijs beweegt.
Op een' wijden plas zagen wij een ijsschuitje komen aanvliegen,   LOOSJES, Bronkh. 1, 241 [1806].
IJsschuiving.
Wantse (t.w. zekere schuiten) seer gekrenckt ende gerabraeckt waren deur de gheweldige ysschuyvinghen,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 1, 59 c [1598].
IJsslede, slede om mede over ijs (of sneeuw) te rijden; b.v. ook een narreslede; de naam is sedert men geen ander gebruik van sleden meer kent in onbruik geraakt.
Want sy in 't koutste van den Winter wel dorst in een Ys-slee haer van Elandekens ofte Reen laeten trecken, ettelijcke Duytse Mijlen,   Holl. Merc. 1654, 25 b [1659].
In vroeger dagen, althans, was de benaaming van Arre- of Narresleden onbekend; men heette dit slag van Rytuigen toen slegts Yssleden,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 254 [1779].
(Wy) hebben … een heel mooi Yssleedje, om over den sneeuw te ryden, met het bokje er voor,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 354 [1784].
Ik … zal myn kleinen Knol, buiten op de toegevrozen sloot … braaf in een Yssleetje ryden,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 344 [1785].
IJsspoor, ijzeren toestel met scherpe punten, dat men onder de schoenzool bevestigt om over het ijs te gaan.
De kolver bindt syn ysspoor aan,   SIX V. CHAND. 63 [1657].
Hoe in de vorige eeuw, toens de Fransschen hier te lande waren gekomen …, de ingesetenen van Overschie ijssporen voor de Fransschen maakte omme verder Hollandt in te konnen dringen,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 1, 527 [1779].
IJsstoel, prikslede, ook slede in het algemeen en narreslede.
Dan werden de ijsstoeltjes van den zolder gehaald, de schaatsen onderzocht enz.,   WATTEZ, Kinderl. 15.
IJsstriem, lang en smal stuk drijfijs.
Schoon hier al eenige Ysstriemen drijven,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 368 [ed. 1727].
IJsstuk, schilderij dat een ijstafereel tot onderwerp heeft.
IJsstukken vindt men zoowel van van Avercamp en Wouwerman, als enz.,   V. BUTTINGHA WICHERS, Schaatsenrijden, 44.
IJstang, kleine tang waarmede men stukjes ijs opneemt om ze in zijn glas te doen.
IJstijd, de geologische periode, gedurende welke men onderstelt dat het noordelijk halfrond grootendeels met eene ijslaag is bedekt geweest.
IJstop, ijsdop, de drijftol, als winterspeelgoed. Zie DE COCK en TEIRL., Kindersp. 5, 151 [1905] en DE COCK en TEIRL., Kindersp. 6, 252 [1906].
IJsveld, uitgestrekte ijsvlakte, in de poolzeeën.
Wanneer een grooter ysveldt op anderen, die kleinder zyn aandringt,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 99 [ed. 1727].
Langs de kust althans kon men niet langer hopen door de eindelooze ijsvelden heen te worstelen,   FRUIN, Tien J. 219 [1859].
IJsvermaak.
Maar denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben!   BEETS, C.O. 221 [1840].
Van onze liefde tot het ijsvermaak getuigen zelfs onze kunst en onze letterkunde,   V. BUTTINGHA WICHERS, Schaatsenrijden, 43.
IJsvink, eene benaming voor de ijsgors, Calcarius lapponicus L.
IJsvisscherij, het visschen (naar walvisschen) temidden van het ijs.
Dit ryzen der Visschen is dan in de Ysvisschery toevallig en niet noodzaaklyk,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 129 [ed. 1727].
IJsvloer, begaanbare ijslaag op het water.
Zo nu het Water door een Ys-vloer is bezet,   MOURIK, Wint. Verm. 32.
IJsvorst, ijzel, fra. verglas (CORN.-VERVL. 1778).
IJsvreugd.
O Nederlanders, boven maaten, Tot yd'le Ys-vreugd uit gelaaten,   LUYKEN, Besch. d. Wer. 215.
Morgen ga ik naar Rotterdam, en moet die ijsvreugd eens zien,   LOOSJES, Bronkh. 1, 303 [1806].
IJswater, water afgekoeld, b.v. door daarin drijvende stukjes ijs.
Wil je wat limonade of ijswater met tamarindestroop?   V. MAURIK, Tòtòk, 1.
IJswol, soort van glanzige brei- en haakwol.
IJszaag.
1 Yszaag,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 336 b [ed. 1727]  (in eene lijst van benoodigdheden).
IJszak, zak(je) van voor water ondoordringbare stof, tot plaatselijke aanwending van ijs op het lichaam.
IJszee, zee in de poolstreken, waarin steeds veel ijs wordt aangetroffen.

Aanvulling bij IJS

Samenst. IJsco (zie ald.).
IJsdansen, dansen op de schaats als tak van sport.
  V. DALE [1976].
— De openbare beoordeling van het kunstrijden geldt ook voor het ijsdansen,   Sportencyclop. 510 b [1951].
IJshockey (zie ald.).
IJslolly, consumptieijs in den vorm van een lolly.
  V. DALE [1976].
— Zijn arm kwam weer uit de koele diepten tevoorschijn en in zijn hand hield hij een rose ijslollie,   R. CAMPERT, Leven 11 [1961].
Hierbij: ijslollyman.
Zelfs geen bulkende venters met groenten of vruchten …, geen bel van ijslollie-man waren bij machte haar te wekken,   Oriëntatie 23-24, 27 [1949].
IJsregen, regen die vóór het neerkomen bevroren is; eert. en gewest. ook: ijzel.
  V. DALE [1872 ].
IJsregen ontstaat, wanneer regendruppels dichtbij het aardoppervlak tijdens het vallen door een luchtlaag, waarvan de temperatuur beneden 0° is, bevriezen,   Ned. Meteor. Inst. 122, 3 [1941].
Van alles en nog wat is er in het afgelopen etmaal naar beneden gekomen, regen en motregen, sneeuw en motsneeuw, ijsregen en hagel,   N. Rott. Cour. 8 Jan. 1959, 2 c.
IJssalon.
IJssalon, gelegenheid waar men ijs kan gebruiken,   V. DALE [1976].
— Vijf minuten later zaten mevrouw van eenhoog en ik met Chérie (een bedreigd hondje) in een tram naar de bus van Amstelveen, waar we hem hebben laten onderduiken in de ijssalon van een nichtje,   V. EYK, V.h.t.h. 60 [1949].
IJsvlade, stuk drijfijs.
Aan de grootste ys-vlayen leggen de Scheepen niet altijd het veyligst, om dat de kragt des strooms en rondte der zee, dikmaals komen te scheuren en te breeken, tot groot gevaar der Scheepen,   MARTENS, Beschr. v. Groenl. 19 [1685].
IJsvlakte.
  V. DALE [1914 ].
— Ze stonden op de onmetelijke ijsvlakte, die hen donker tegendreigde,   GOEDH.-BECKER, M. Vroom 63 [1916].
Opdat straks duizenden, die nooit de bergen zullen zien, kunnen meegenieten van de brandende zon op de stralende ijsvlakten vlak bij den onwaarschijnlijk blauwen hemel,   DEN DOOLAARD, Ski 87 [1930].
IJsvlet, kleine platte schuit waarmee door ijs gevaren kan worden.
Overtocht voor voetgangers en wielrijders per ijsvlet of over voetpad,   Ned. Staatscour. 18 Febr. 1929, 4 a.
In een houten boothuis op den dijk lagen … een roeireddingvlet en een ijsvlet,   Reddingboot 1769 [1941].
IJsvrij.
1°. Vrij van (mogelijke) ijsvorming.
  V. DALE [1950 ].
— Zoodat bij hun grootste uitbreiding (t.w. van de Skandinavische ijsmassa's) slechts een betrekkelijk klein gedeelte van ons werelddeel … ijsvrij, bewoonbaar land is geweest,   HOLWERDA, Nederl. vr. Gesch. 2 [1925].
IJsvrij houden der Haringvlietsluizen,   Deltawerken 26, 284 [1963].
2°. Vrij van school of werk om te gaan schaatsen.
IJsvrij,ijsvrij hebben, vrij hebben om te gaan schaatsenrijden,   V. DALE [1976].
IJswafel, versnapering, bestaande uit consumptieijs of, eert., daarop lijkende substantie, tusschen twee wafels.
  V. DALE [1950 ].
— Meerdere der … fabrieken houden zich ook bezig met de fabricage van wafels en wafelkorst. Als zoodanig komen in den handel de zoogenaamde ijswafels, die eene pâte tot vulling hebben met verschillende smaken en de suikerwafels, die met eiwit en suiker gevuld zijn,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 676 [1912].
Hij rookt, eet ijswafels, drinkt uit zijn veldfles, praat en spuwt,   DE JONG, F. v. W. 394 [1928].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.