Koppelingen:
Vorig artikel: IMAGINEEREN Volgend artikel: IMAM
Etymologie: EWN

IMAGO

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: imago

znw. vr. (in de bet. 1 en 2) en onz. (in de bet. 3), mv. -'s. In de bet. 1) uit lat. imago als wetensch. dierk. term; zoo ook eng. imago (1797), fr. imago (1866), du. imago (19de e.); in de bet. 2) wsch. uit du. imago als term uit de psycho-analyse (1906); zoo ook eng. imago (1916), fr. imago (1929). In de bet. 3) wsch. inheemsche ontwikkeling uit image (II) in deze bet.; zie ook ald.
1.  (Entomol.) Volkomen ontwikkeld insect.
  V. DALE [1914 ].
— Er zijn ook insecten, waarbij de gehele ontwikkeling van ei tot imago enkele weken duurt,   KABOS, Insecten 106 [1940].
De pas-uitgekomen imago begint met het schoonmaken van de broedcellen,   BENNO, Bijen 20 [1951].
2.  (Psych.) Onbewust, geïdealiseerd beeld van een persoon uit iemands jeugd.
  V. DALE [1950 ].
— Indien iemand zijn instelling tot een ander persoon uit de jeugd, ouder of opvoeder, in later jaren aan andere personen blijft doorleven … zegt men, dat hij de imago van den oorspr. persoon in den ander terugziet,   Handb. mod. Denken 420  (ed. 1931).
3.  Stereotiep beeld van iem. in de publieke opinie; image.
  V. DALE [1976].
— Om de maand een prestige-artikel (over TV-problemen en trends), dat … de superioriteit van het blad onderstreept en het imago van het blad bij de TV-dirigenten opbouwt,   Vrij Ned. 14 Juni 1969, 17 b.
De benzinemaatschappijen staan wat de milieuvervuiling betreft niet in zo'n goede reuk. Om dat imago wat te verbeteren komen de professionele witmakers van de reclameburo's opdraven,   Vrij Ned. 3 April 1971.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.