Koppelingen:
Vorig artikel: INSEMINEEREN Volgend artikel: INSERTIE

INSEREEREN

Woordsoort: ww.(trans.,refl.,zw.)

Modern lemma: insereren

bedr., zelden ook wederk., zw. ww. Uit fr. insérer (1363/1319); du. inserieren (16de e.); vgl. ook eng. insert (1529) en (zelden en sinds lang veroud.) insere (1557 < fr.). Niet in Mnl. W.
+1.  (Bedr.) Invoegen, inlasschen, invlechten; inschikken.
Gecombineerd met de formule van woord tot (te) woord.
Onder de signature van den Administrator van dien, hierinne geinsereert van woerde te woerde,   Oork. St. Anth.-Gasth. 795 [1582].
Tot stercker onderhoudt ende observatie van de voors. Keyserlycke Ordonnantie van nieuws geordonneert ende gemaeckt daeraff den inhouden van worde te woorde hiervoren staet geïnsereert,   in DENUCÉ, Antw. Tapijtk. 47 [1617].
2.  (Wederk.) Van een spier wsch. zooveel als: gehecht zijn aan, verbonden zijn met het deel dat door deze in beweging wordt gebracht. Vgl. +insertie, 2). Uitsl. in KRAMERS, Kunstwdb. [1847].
Zich insereren, zich aanzetten (van spieren),   KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.