Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KAPENAAR Volgend artikel: KAPER II

KAPERI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: kaper

znw. m. (Nhd. kaper, deensch kaper, zw. kapare, fra. capre (verouderd), eng. caper (verouderd) zijn uit het Nederlandsch overgenomen). Van Kapen (zie ald.) met -er.
+1.  Iemand die kaapt (in de bet. I), of II, 1); die het kapen, de kaperij, de kaapvaart uitoefent, t.w. in oorlogstijd, met machtiging en op naam en gezag van den vorst of de landsregeering, met gewapend eigen vaartuig den vijand des lands op zee afbreuk doet door op diens koopvaardijschepen jacht te maken, ze aan te vallen en voor goeden prijs te verklaren: commissievaarder, kaapvaarder, kruiser (in de bet. 3), vrijbuiter. Evenals de hier opgenoemde benamingen, doorgaans voor een schip dat kaapt of dat voor de kaapvaart uitgerust en bestemd is (een kaap- of kaperschip), doch ook wel voor den persoon die zulk een schip en zijne bemanning onder zich heeft; onder wiens bestier en bevel het staat; zie voor die beide verschillende opvattingen, dooreen, straks hieronder, bij de onder a) en b) gegeven voorbeelden van het gebruik.
2.  Iemand die kaapt (in de bet. II, 3), die iets heimelijk, listig, behendig — stilletjes — wegneemt, aan een ander ontrooft. Daarnaast als vr. vorm kaapster (V. DALE).
Een der hennen (was) Vlugger kaper … dan hij (een jongen),   V. ZEGGELEN 8, 71 [1857].
Afl. — Het Nhd., dat het ww. kapen niet kent, heeft van het (aan 't Ndl. ontleende) znw. caper, kaper een ww. capern, kapern, kapen, vrijbuiten enz., afgeleid. In 't Ndl. is kaperen (in de oorlogsjaren na 1914, met name in de dagbladen, lang niet ongewoon) een plomp en onvergeeflijk germanisme. Toch is merkwaardig dat GEZELLE den vorm kaperen (te kaperen gaan, gaan vrijbuiten) in Fransch Vlaanderen heeft hooren bezigen (Loquela 14, 51 [1894]).
Samenst. Kaperbrief, kaperkapitein, kaperschip (zie die woorden). — Verder komen voor
Kaperscommissie, commissie of bestelling voor een kaper; kaperbrief.
(Ik) Deed oock door Hulst van de vrouwen weder eyschen de papieren, die noch onder haer hadden, en special. de Caperscommissien,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 428 [1694].
Joff. Spoor (gaff) de Caperscommissien, soo vele sij seyde te hebben, aen mijn vrouw wederom,   2, 429.
Kapercompagnie, kaapreederij.
Dat (in de 16de en 17de eeuw) kapercompagnieën werden opgericht, waarin men aandeelen nam bij wijze van geldbelegging,   DE LOUTER, Het stellig Volkenrecht 2, 302.
Kaperfregat.
Denzelfden dag … kwam er een Engelsch Kaperfregat op de reede,   C. DE JONG, Reize n. d. Carib. Eil. 141.
Kaper(s)gast, lid van de bemanning van een kaper, een kaperschip.
Flibustiers, ou Corsaires. Vrij-buiters, Kaaper-gasten,   AUBIN, Dict. de Mar. 415 [1702].
— Wij (Hollanders, als prijsrechters) gaven … de prijs (een door Franschen genomen Engelsch schip) aan de hernemers (de Engelschen) terug en de Fransche Kapergasten … vertrokken (woedend) over land naar Duinkerken,   C. DE JONG, Reize n. d. Carib. Eil. 19.
Kaperofficier, een der subalterne officieren op een kaper, een kaperschip.
Eén der KaaperOfficieren, met behoorlyke Commissie tot dat einde voorzien, en van de nodige manschap verzeld, (wordt) als Prysmeester op het buit gemaakte schip aangesteld, die het … na een eigen of neutraale haven opbrengt,   CHOMEL, Verv. 3694 a [1790].
Onbeschoftheid van een Engelsch Kaperofficier,   C. DE JONG, Reize n. d. Carib. Eil. VI.
— Als tweede lid. Zeekaper, zeeroover.

Aanvulling bij KAPERI

Samenst. Kapersnest, wijkplaats van kapers; plaats waar kapers hun thuishaven hebben.
Inmiddels waren de Spanjaarden op het idee gekomen de goede zaak een flink stuk vooruit te helpen door een inderdaad zeer slim bedachten maatregel, namelijk het stopzetten van de vijandelijkheden ter zee. Ietwat ironisch doet het aan dat, toen het eindelijk zoo ver was, zij juist het lastige en gevaarlijke kapersnest Duinkerken kwijt waren!   POELHEKKE, Vrede v. Munster 447 [1948].
Het kapersnest Duinkerken,   V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1920.