Koppelingen:
Vorig artikel: OER Volgend artikel: OEROS
Etymologie: EWA, EWN

OER-II

Woordsoort: woorddl.

Modern lemma: oer-

In het hoofdwerk staan onder oor- ook reeds eenige afl. met oer- vermeld (zie Dl. XI, 57).
Afl. Oerbeeld, meest oorspronkelijk beeld.
  V. DALE [1976].
— Het eeuwige oerbeeld Van God (het betreft de zee),   GEERTEN GOSSAERT, Experim. 2 [1916].
Archetype. Oerbeeld. Zo noemt Jung de voorstellingen, veelal in symbolische vorm, van de grondbelevenissen van het menselijk bestaan. De archetypen vormen de inhouden van het collectief onbewuste,   UBBINK, Karakterk. Wdb. 261 [1951].
In hun ogen was de eerste apostel door zijn primaatschap oerbeeld, waarborg en drager van de eenheid van gemeenteleiding en de eenheid der Kerk,   V.D. MEER, Catech. 355 [1955].
Gelijk bij Ruusbroec bereikt de schouwer in de eigen ”wezenheid” het Oerbeeld naar hetwelk hij geschapen werd (ingekeerde mystiek op exemplaristischen grondslag), en in dit Oerbeeld, het Woord Gods, de goddelijke Wezenheid,   voor PULLEN, Navolg. IX [1958].
Oerbosch, bosch waarin niet door den mensch reguleerend is ingegrepen.
  V. DALE [1914 ].
— De vierde Vederpalmsoort, Calamopsis bredana, behoort tot de klimmende Rotanpalmen (Calamus, Daemonorops e.a.), de beruchte versperders van het Maleise oerbos,   Hout in alle T. 1, 195 [1949].
Later vond de verwerking van het hout in het oerbos zelf plaats,   Hout in alle T. 5, 278 [1955].
Oerdegelijk, zeer degelijk.
  V. DALE [1976].
— De wielrijder-toerist, die thans tot aanschaffing van zulk een machine besluit, doet een goede koop, temeer daar de groote duurzaamheid van al onze rijwielen en van dit oerdegelijke, robust geconstrueerde model in het bizonder, de gemiddelde jaarlijksche uitgaven voor instandhouding tot een minimum reduceert,   Fongers Prijscour. 1932, 4.
Oerdier(en).
1°. (Mv.) Laagst ontwikkelde groep van dieren, die slechts uit één enkele cel bestaan, die alle levensverrichtingen vervult (Protozoa).
  V. DALE [1914 ].
— Een feit is het echter, dat er in de diepzeeën vele zulke zelflichtende dieren voorkomen. Vooral zijn het daar visschen, kreeften, zeesterren, wormen en oerdieren, die door hunne sterke fosforescentie bizonder de aandacht trekken,   Alb. d. Nat. 1902, 1, 154 [1902].
Het eerste phylum waar we … mee te maken krijgen, is dat der Protozoa, de oerdieren,   V.D. VLERK en KUENEN, Geheimschr. d. Aarde 92 [1940].
2°. De mensch, in zijn natuurlijken oervorm, niet aangetast door de cultuur; de nog dicht bij de natuur staande mensch.
Met al zijn nuchterheid kan hij zich toch niet losmaken van het voorgevoel: deze dag komt met een belofte! … Het wereldoude instinct van het oerdier, dat sluimert in zijn binnenste, is er door opgewekt en duwt met baldadige vrolijkheid al zijn wetenschappelijkheid opzij,   ROOTHAERT, Vlimmen 433 [1936].
Oerdrift, primaire aangeboren drift.
  V. DALE [1976].
— Men (weet) nooit wàt droom is en wàt woord, wat teruggaat op dezelfde oerdriften van modder en nevel, die ook de authentieke Atlantiërs bezielden,   VESTDIJK, Lier en Lancet 365 [1937].
De eigenlijke voedingsdrift komt eerst veel later, deze is een verkregen reflex, geen oerdrift,   Toepoel's Hondenencyclop. 395 b [1940].
Dat het komische een zeer sterke neiging, een oerdrift, in ons bevredigt, kan moeilijk worden ontkend,   VESTDIJK, Essays i.d. 123 [1952].
Oergermaansch (I), (taalk.) Germaansch vóór de splitsing in verschillende talen of taalgroepen.
  V. DALE [1950 ].
— Zeker is in den mond van dat mengvolk het oer-Germaansch ontstaan met z'n klankverschuiving, niets anders dan een gevolg van gestuite sandhi-wetten, volkomen aan de Keltische gelijk,   V. GINNEKEN, Handb. 1, 3 [1913].
Evenmin als het idg., kent men het oergermaans. Of het zich langs regelmatige weg uit het idg. heeft ontwikkeld dan wel of het ontstond doordat een vreemd volk geïndogermaniseerd werd, is onzeker,   SCHÖNFELD2 XVII [1924].
Oergermaansch (II), (taalk.) tot het Oergermaansch (I) behoorend, in het Oergermaansch (I) plaats vindend.
  V. DALE [1950 ].
Oergezellig, erg gezellig.
  V. DALE [1950 ].
— In de ”Quelle” …, een lage houten kroeg, onmogelijk van vorm, maar oergezellig met zijn glimmende mahoniehouten tafeltjes en met zand bestrooide vloer, verdrinken studenten hun zorgen en examenvrees,   M. DEKKER, Amst. bij gasl. 23 [1949].
Oergrond, diepste grond, diepste wezen (van iets onstoffelijks). Zie voor een homoniem bij +OER, Samenst.
  V. DALE [1976].
— Of wij de wereld, of het Al, of den oergrond aller dingen liefhebben als een onpersoonlijke, eventueel een bovenpersoonlijke wezenheid … dan wel als een Persoon …, dit verschil is inderdaad nauwelijks minder essentieel, dan tusschen heerschen en dienen,   Scientia 1, 212 [1938].
Onnoembare! Ik noem U niet Brahman, Zeus, Ormoesd, Sjaddai, Jahweh, niet Tao, Natuur, Substantie, niet Oergrond, het Ene en het Al, Mysterie,   A. GANS, Woord 186 [1958].
Oerkracht, meest oorspronkelijke, elementaire, natuurlijke kracht.
Zijn eerste deel vooral, dat, naar Dr. Boutens' juiste opmerking, eer den naam van Klytaimestra dragen mocht, is van een aangrijpende oerkracht,   SIMONS, Drama en Tooneel 1, 165 [1921].
Grootsch is de natuur vooral daar, waar zij nog in haar ongerepten staat is en zich in haar oerkracht en oerpracht openbaart,   Zóó leven wij in Indië 119 [1942].
De soepele spontaniteit van de persoonlijkheid wordt miskend en verkracht als men haar uiteen tracht te rafelen in een starre reeks van oerkrachten en dressuurprincipes,   KOUWER, Spel v.d. Persoonlijkh. 93 [1963].
Oerleelijk, zeer leelijk.
't Begon allemaal zoo mooi vandaag. 't Was wel oer-leelijk weer, maar ik moest toch werken,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 1, 208 [1919].
Oermensch.
1°. Mensch uit den oertijd.
  V. DALE [1976].
— Zelfs de anthropologische novelle van den melankolieken oermensch hoort in de geschiedenis niet thuis,   HUIZINGA in Gids 1924, 2, 131.
De oermens, aldus spreker, heeft zich ongetwijfeld sterk afhankelijk van en bedreigd gevoeld door de in de natuur veronderstelde krachten en machten en hij heeft ook getracht aan deze bedreiging te ontkomen,   Leidsch Dagbl. 27 Maart 1957, 2.
2°. Mensch als in den oerstaat, zonder eenige beschaving.
  V. DALE [1914 ].
3°. Menschensoort waaruit alle menschenrassen zouden zijn ontstaan.
  V. DALE [1976].
Oermoeder, moeder in den meest oorspronkelijken elementairen natuurlijken staat.
Prostituées, zo is mijn ervaring, en die van vele anderen …, zijn goede moeders, oermoeders,   GROOTHUYSE, Prost. 70 [1970].
Oeroud, zeer oud.
  V. DALE [1914 ].
— De heilige, oer-oude aandriften, dringend door het dik der wouden van onbewustheid en onkunde heen,   H. ROL. HOLST, Vrouw 7 [1912].
Voorbeelden van gevallen, waar de moderne wetenschap een oeroud product op cellulosebasis de hand reikt,   Hout in alle T. 5, 601 [1955].
Oerproductie. Zie voor een homoniem bij +OER (I), Samenst. 1°. Ben. voor de meest elementaire en natuurlijke productievormen: landbouw, veeteelt, visscherij, jacht en mijnbouw.
  R.G.P. 69, XXXVI [1929].
Na de voortbrenging — oerproductie en verwerkende nijverheid — komen wij nu tot de distributieve functies handel, verkeer en geldwezen,   DE BOSCH KEMPER, Teg. St. 215 [1950].
2°. Voortbrenging van een economisch product, gezien als de beginphase van het handelsproces.
De vertikale relaties in het economische leven. Het zijn dus de relaties, die ontstaan in verband met de weg, die de goederen van bedrijf tot bedrijf moeten afleggen bij de overbrugging van de totale afstand tussen de oerproduktie en de uiteindelijke aflevering van het gerede produkt aan de consument,   HOFSTEE in Soc. Leven 199 [1951].
Oersaai, zeer saai.
't Is oer-saai geweest, sedert je weggaan,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 1, 191 [1919].
Oersterk.
1°. Zeer sterk (in physieken zin).
  V. DALE [1976].
— 'k Ben ziek geweest, koorts en influenza. Maar 'k ben er weer bovenop geklauterd en omdat ik oer-sterk ben, dat zegt de dokter tenminste, ben ik nu al weer kant en klaar,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 1, 196 [1919].
Een ideale man, kraakzindelijk, oersterk en kerngezond,   ROOTHAERT, Vlimmen 529 [1936].
2°. Onverslijtbaar.
  V. DALE [1976].
— Thans vocht Deterding van een ware petroleumburcht uit, een oersterk economisch bouwwerk met fundamenten in Den Haag en in Londen,   OTT, Gew. Man 270 [1937].
Oertijd, oudste voortijd, praehistorie.
Hij rukt aan de deur …; hij stort binnen … De twee mannen over elkaâr om die vrouw … Hun strijd, hun passie, als in oertijden,   COUPERUS, Van oude Menschen 1, 150 [1906].
Er is niets, dat zóó den oertijd suggereert als zware zeegang midden op den oceaan,   LECLERCQ, Wind i.d. Z. 115 [1933].
(Fig.) Iem. uit den oertijd, iem. die zeer ouderwetsch is.
  V. DALE [1976].
Oervervelend, heel vervelend.
  V. DALE [1950 ].
— Hij steekt zijn hand toch maar voorzichtig onder de bank door en streelt even die van Annie. Die knikt onmerkbaar. Haringsma glimlacht voldaan. — Oervervelend, denkt hij, hier op school. Hij geeuwt. Vannacht is het weer halftwee geworden,   MARJA, Snippers 57 [1941].
Nu was hij voor een poosje op Walcheren gestrand, een oervervelend eiland met eeuwig wolken en eeuwig wind, waar je slaap van kreeg,   DEN DOOLAARD, Verj. W. 301 [1947].
Oerwoud, woud waarin niet door den mensch reguleerend is ingegrepen.
  V. DALE [1914 ].
— De groei der bodembosschen is despotisch Als 't oerwoud aan den Amazone-oorsprong,   SLAUERHOFF 2, 32 [1928].
In de oerwouden langs de Nijl dwaalden olifanten, giraffen, nijlpaarden, leeuwen, buffels, alsmede de vreemde okapi's,   Hout in alle T. 1, 407 [1949].
Meer oost- en zuidoostwaarts over de tegenwoordige grens met Duitsland werd het land meer geaccidenteerd en rijker aan werkelijk dichtstaand bos. Hier begonnen dan de eigenlijke oerwouden,   Hout in alle T. 4, 154 [1952].
(Fig.) Een oerwoud van, een niet doorheen te komen massa.
Indië, dat een oerwoud van godsdienstige voorstellingen herbergt, kent naast elkaar de verering van ”heilige” bomen …, bomen als woonplaatsen van zielen en geesten en … meer de in de latere karma- en zielsverhuizingsphilosophie gewortelde idee, dat de bomen in het algemeen de lichamen van zielen zijn, die wegens haar slechte daden (karma) deze bestaanswijze moeten doormaken,   Hout in alle T. 2, 68 [1949].
Een oerwoud van artikelen en reglementen,   V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.