Koppelingen:
Vorig artikel: ONAFZIENLIJK Volgend artikel: ONANIE

ONANEEREN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: onaneren

onz. zw. ww. Van onanie met -eeren.
1.  Onanie (1) bedrijven, coïtus interruptus toepassen.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
Onaneren, onanie plegen,   V. DALE [1950 ].
2.  Zichzelf bevredigen, masturbeeren.
  V. DALE [1976].
— Toen ik aarzelend binnengekomen was en voor hem stond vroeg hij me op strenge toon: heb je wel eens geonaneerd?   APIE PRINS, Baan 27 [1958].
Had Gij niet triest voor hem een Weest Gegroet gezongen, maar was ge boven 't vuur flink komen onaneren, het wapen in de vuist … hij was de brand ontsprongen!   V. ALTENA bij HEESTERMANS e.a., Erot. Wdb. 137 [1967].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.