Koppelingen:
Vorig artikel: ONANEEREN Volgend artikel: ONANISME
Etymologie: EWA

ONANIE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: onanie

znw. vr., g. mv. Naar Onan in Gen. 38, 9 die coïtus interruptus toepaste. In 1710 als onania ingevoerd door den Engelschen arts Bekker en via de medische en paedagogische vaktaal in de taal van den ontwikkelden leek doorgedrongen in den vorm onanie; du. onanie (18de e.).
1.  Zaadlozing buiten de vagina, bij de geslachtsdaad; coïtus interruptus.
  V. DALE [1950 ].
2.  Zelfbevrediging, masturbatie.
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  V. DALE [1872 ].
— Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel, adept-clowns in de kermistent des Heeren, pierrots van de onanie,   MULTATULI 4, 257 [1865].
Vluchten en duiken is voor de goegemeente een en hetzelfde. Nu, er is een verschil tussen als tussen een vlucht voor onanie en kuisheid,   OUWENDIJK, Job 105 [1952].
3.  (Fig.) Zelfbevrediging in niet-erotischen zin, het (zichzelf) tevreden stellen, bevrediging.
Dáárvoor kan 'n uitgever geen honorarium betalen! M'n vergeefsche pogingen om wat voort te brengen martelen mij vreeselijk. En 't moet! Maar wat zal nu 't gevolg zijn? Dat ik, mij vermannende om tòch te leveren — 'n ware schandelijke onanie van 't gemoed! — zéér spoedig niet meer zal voldoen aan de eischen van mooijigheidjes, en dat ik ook alzoo op dàt gebied geen geldswaardige koopmanschap zal kunnen voortbrengen,   MULTATULI, Reisbr. 33 [1882].
Ieder boek dat een menselike inzet vertegenwoordigt, dat niet alleen om de literaire prestatie geschreven werd, blijft misschien een daad van onanie, een daad die in de plaats van een andere daad staat,   DU PERRON, Herkomst 373 [1935].
Afl. Onaneeren (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.