Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: RIESTER Volgend artikel: RIET II
Dialect: WVD
Afbeeldingen: BURG
Etymologie: EWN, EWA
Gewestelijke variatie: PLAND
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

RIETI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: riet

znw. onz., mv. -en. Mnl. riet, onfr. ried; os. hriod, mnd., nnd. rêt; ohd. hriot, mhd. riet, nhd. riet (ried); ofri. hreid. nfri. reid; ags. hréod, eng. reed. De oorspronkelijke stam op -d, in het Mnl. en oud Nnl. (tot in de 17de eeuw) gelijk nog thans in het W.-Vlaamsch en Zaansch bewaard, is langzamerhand (ook reeds in het Mnl.) naar analogie van den onverbogen nv. riet door dien op -t verdrongen.
+A.  Eigenlijk. Benaming voor planten die behooren tot de geslachten Phragmites en Arundo van de familie der Grassen (Gramineae). De meest bekende soort is het in water of op moerasgrond groeiende, te onzent zoo veelvuldig voorkomende gewone riet (Phragmites communis).
+B.  Bij uitbreiding. Benaming voor planten die overeenkomst met het eigenlijke riet vertoonen.
Afl. Rietachtig, rieten (1ste en 2de art.), rieden (zie die woorden).
— Verder (minder gewoon): Rietig, waarnaast oudtijds en nog in sommige dialekten (b.v. in het Zaansch) riedig, rietachtig. — 1°. Op riet gelijkende.
De mensche is een rietigh, on-staltigh geboorte, die waerlicker schijnt weg-geworpen, als geboren te zijn; en speelsel van windrige vlagen, die hem geduerigh dat op, dat neder werpen,   DE BRUNE, Embl. 255 [1624].
2°. Vol riet.
Dat land is erg riedig,   BOEKENOOGEN.
Samenst., samenst. afl. en koppel. Rietakker, rietblad, rietbok, rietboord, rietbos, rietbosch, rietdak, rietdekken, rietdekker, rietfluit, rietgans, rietgewas, rietgors (2 art.), rietgras, riethalm, rietland, rietlijster, rietmat, rietmees, rietmusch, rietpeer, rietpijp, rietplant, rietpluim, rietschaalde of rietschalig, rietsoort, rietspier, rietstaf, rietsteel, rietstengel, rietstok, rietsuiker, riettop, rietveld, rietvink, rietvoren, rietzanger, rietzodde (zie die woorden).
— Verder komt riet- in verschillende beteekenissen nog in een aantal andere woorden voor. In de bet. A), inzonderheid als benaming voor het gewone riet, Phragmites communis; daarnaast in de bet. B, 4, b) en c) in dialectische benamingen voor de lischdodde.
Rietaar, hetzelfde als Rietpluim, 2). Thans ongebruikelijk.
Riet air … is een Bloem-tros, die naar een air van het Riet gelijkt, uit veele steeltjes met kleine bloemen bestaande,   CHOMEL 3051 b [1773].
Rietantilope, benaming voor een onderafdeeling der antilopen, waartoe de rietbok en de waterbok behooren.
De riet-antilopen zijn groote dieren met ruig hair, en halvemaansgewijze naar voren gekromde horens, die echter alleen bij de mannetjes aanwezig zijn. Zij worden in Afrika aangetroffen, en houden zich bij voorkeur in de nabijheid van het water en in het riet op,   SCHLEGEL, Dierk. 1, 95 [1857].
Rietband, lang en smal riet waarmede iets vastgebonden wordt.
Rietbed, hetzelfde als rietlaag of rietspreiing (zie b.v. Alg. Voorschr. 1901, § 41).
Rietbedekking.
Alle voorkomende gebreken aan de … lei-, stroo-, riet-, zink- of andere dakbedekkingen,   Alg. Voorschr. 1901, § 305.
Rietbeek, beek waarin of aan de oevers waarvan riet groeit.
De rivier, by onse landtrijsers om 't veele hollandts riet daerin wassende, genaemt den Hollands Rietbeecq,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 10 [1659].
Rietbekleeding, bekleeding van riet, rietlaag.
Zulk een rietbekleeding wordt vervolgens met de strijk- of raakborden in het ruwe gezet, dat is: bestreken met eenen mortel,   PASTEUR-NOOT 2, 305  (bij het plafonneeren).
Rietbeslag, bekleeding van riet op de buitenglooiing van een dijk aangebracht, als deze niet te sterk aan de werking der golven is blootgesteld.
Het rietbeslag bestaat uit een laag groen riet, dik 0,1 M., vastgehouden tegen de dijksglooiing door 15 c.M. hooge tuinen, die 0,6 M. van elkaar zijn geplaatst (evenwijdig aan de dijkskruin),   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1380.
De beschadiging van het rietbeslag en de daarop staande vlechttuinen,   R. v. St., Afd. Gesch. v. Best. 1907, 159.
Dat het gevaar voor doorbraak van de kade ten gevolge van beschadiging van het rietbeslag niet zoo groot is,   Ald.
Rietbewerking.
Hout- en Rietbewerking,   POSTHUMUS in Bijdr. Hist. Gen. 33, 12.
Rietbezem, bezem van riet, gebezigd b.v. om sneeuw weg te vegen.
Rietbinder, iemand die riet in bossen bindt.
Rietbroek, laag, drassig land met riet begroeid. Ook mnl. Thans verouderd.
Alle Aenwassen, Riet-bosschen, Uytterwaerden ende Rietbroecken,   Gr. Placaetb. 1, 1254 [1591].
Rietderg, in N.-Holl.: de strook riet langs den zoom van een stuk land en daarvan door omtrent een voet water gescheiden (zie BOEKENOOGEN).
Rietdijk, dijk die aan de buitenzijde met riet is bekleed. Voorheen vooral in Hollands Noorderkwartier en Friesland.
Dat die voorsz. rieddycken ende wyerdycken sullen geholden ende geacht wordden by den gheenen die se sullen toegedeelt wordden,   Friesch Placaatb. 2, 636 a [1533].
Indien naemaals beuonden wordde, dat sulcke wier ende rieddycken nyet en zouden te onderhouden zyn, zonder hooffden ende palen,   2, 636 b.
Rietdodde. — 1°. De knobbel waaruit het riet voortspruit, hetzelfde als rietkolf en rietknods.
2°. Oude benaming voor de lischdodde, Typha (zie b.v. KIL.); nog thans in W.-Friesland gebruikelijk voor de groote lischdodde, Typha latifolia (HEUKELS 264 [1907]).
Rieteiland, eiland met riet begroeid.
Ook overviel ons een seer sware Donderkaak, in voegen wy gedwongen wierden te zeylen na eenigh RietEylandt, gelijk dese aldaar met 14, 15 by malkander lagen,   STRUYS, Reysen 210 [1676].
Rietgal, soort van gal, wier larve in een aanzwelling aan den top van rietstengels leeft, Lipara lucens (zie OUDEMANS, Insecten 585 [1905]).
Rietgesuis.
Uw stem was als 't geruisch van Loraas gladde stroomen, Of 't zangrig rietgezuis aan heur bewassen zoomen,   BILD. 2, 14 [1797].
Rietgrond, grond waarop riet groeit, met riet begroeide grond.
Toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren,   HOFDIJK, Schets v. d. Gesch. d. Ned. 1.
Zeeland, dat zijn vlakke schorren en rietgronden meer en meer boven het water begon te houden,   17.
Riethen, riethennetje, in Friesland en N.-Holland een benaming voor het waterhoen(tje) of waterhennetje, Gallinula Chloropus (ALBARDA, Ned. Vogels 70 [1897]; BOEKENOOGEN).
Riethoen, riethoentje, hetzelfde als het voorgaande woord.
Riethoofd, hoofd (in het water vooruitstekende dam) van riet gemaakt. Verouderd.
Alzoe van noede zal wesen aen sommighe oirden ende plaetzen hoefden ende bepalinghen toe hebben, omme die Strangh (het strand) te onderhouden, oick wyer ende ryethoeffden te slaene, zal sulcks geschyen ter ordonnantie van ons, ende by aduyse van den Dyckgrave,   Friesch Placaatb. 2, 629 b [1533].
Riethorn, een verouderd gewestelijk woord voor: een puntig uitstekend stuk rietland (zie BOEKENOOGEN).
Riethout, zeker soort van hout.
Ebbenhout …, Rooshout, Riethout, Cederen-hout, Letterhout enz.,   Gr. Placaetb. 1, 2516 [1655].
Rietkant, de met riet begroeide kant of oever van een water.
Het langs den rietkant groeijende hakhout,   SCHLEGEL, Vogels 59.
De Roerdomp … houdt zich schuil in het riet, of komt over dag slechts daaruit te voorschijn, wanneer hij zich naar eenen anderen rietkant wil begeven,   145.
Rietkap, de kap van een rietdak.
Hij vindt … De schaamle rietkap aan 't geknakte bint ontroofd, En de overstelpte vlam der haardstede uitgedoofd (t.w. door storm en regen),   STARING 1, 124 [1820].
Rietknods, hetzelfde als rietkolf (1ste bet.).
Rietkolf. — 1°. De knobbel waaruit het riet voortspruit.
Rietkolf. Riet-dodde, rietknods. Masse de roseau,   MARIN.
2°. Benaming voor de lischdodde, Typha.
Riet-kolue. j. donse, dodde. Typha,   KIL.  (zie ook HEUKELS 263 [1907]).
Rietkrag (zie Dl. VIII, 62).
Rietkrans, krans van riet gevlochten.
Die dien riet-krans op 't hoofd heeft … is de Eufrates,   VALENTIJN, Ovid. 1, 173.
Rietkroet (zie Dl. VIII, 309).
Rietlaag, een laag riet, b.v. ter bescherming van een dijk.
De stroomat en de rietlaag (onder het rijsbeslag van een dijk) dienen tot dekking van den grond, waartoe het rijshout niet fijn genoeg is, zoodat men bij het gebruik van enkel rijshout niet genoeg gewaarborgd is tegen het inspoelen van den grond onder het beslag en het wroeten der krabben, die in de klei hun voedsel zoeken,   PIJTAK 505 [1848].
Rietleger (zie Dl. VIII, 1403).
Rietlisch, een in Vlaanderen bekende benaming voor het gewone riet, Phragmites communis (DE BO, Kruidwdb.; HEUKELS 182 [1907]).
Rietmes, mes waarmede men riet snijdt.
Rietmijt, hooge stapel van rietbossen die aan een hoofdvaart wordt opgezet.
Rietpark, soort van rieten omtuining met staken enz. aan den oever der zee gemaakt, om visch in te vangen en dien te bewaren; ook vischperk, weer of vischput geheeten.
Rietpen, teekenpen van riet.
In den lossen toets van de rietpen en etsnaald verlustigen wij ons met meer vrijheid, dan in al de kracht en uitvoerigheid der voortreflijkste kunststukken,   BILD. 1, 477 [1ste kw. 19de e.].
Rietplag, hetzelfde als rietschok (BOEKENOOGEN 898).
Rietplank. — 1°. Een plank die op een rieten dakbedekking wordt gelegd.
Men (dekt) de (molen)kap van boven voor het inlekken en het opwaaijen van het riet met een eiken 5 dms. huif; waartoe men ook voor het achtkant de eiken 5 dms. rietplanken bezigt,   KROOK, Molenb. 97 [1851].
2°. Bouwmateriaal in den vorm van een plank, bestaande uit riet en gips.
Rietplank. Fr. Torchis de plâtre et de roseaux. Hgd. Schilfbretter,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 289 [1897].
— Vloer- en wandtegels, gegoten Kalk, Rietplanken, Gips enz.,   Uit een advertentie.
Rietplukker, bij VONDEL 2, 552 [1626] als benaming voor een watergod.
Rietpoel, poel waarin riet groeit.
Om den Koningh van Babel bekent te maken, dat sijne stadt van 't eynde is ingenomen; Ende dat de veyren ingenomen, ende de rietpoelen met vyer verbrant zijn,   Statenb., Jer. 51, 32 [ed. 1688].
Rietpolder, polder waarin riet groeit; ook als eigennaam (V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 723 a).
Rietprijs, prijs van het riet.
De buitengewone verhooging van den rietprijs,   Versl. Handel, N. en Sch. 1912, 255.
Rietrijk, rijk aan riet.
Hier ziet men rossen op den gladden dorschvloer zwoegen, Ginds stieren in 't gareel het rietryk dal beploegen,   DE MARRE, Besp. 165.
Rietroet, hetzelfde als rietschoot (zie BOEKENOOGEN).
Rietruigte.
Rivier, die op u slikkerige oevers met riet-ruigte begroeit sijt,   VALENTIJN, Ovid. 1, 151.
Rietscharre, ook -schorre en -schurre, in sommige streken van Vlaanderen benaming voor de waterral, Rallus aquaticus (Loquela 7, 22 [1887]; Loquela 13, 62 [1893]).
De riescharren kwekten haar eentonige schreepschreeuw met de puiden die gerrebekten in de grachten,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 15 [1903].
Rietscherm, scherm of schutting van riet om het aanstuiven van zand (duinen) te bevorderen of het verstuiven daarvan tegen te gaan.
Men geeft deze rietschermen gewoonlijk eene hoogte van omstreeks 0.75 à 0.80 el boven het strand, naar buiten een weinig afdalende en zet dezelve op afstanden van 10 el uit elkander, vereenigd door dergelijke schermen langs den voet der duinen,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 339.
De rietschermen zamen te stellen uit droog dekriet 2 bos per strekkende M. tusschen vier doorgaande regels, Hollandsche latten of gaarden,   Alg. Voorschr. 1876, § 187.
Rietscheut, jonge rietstengel.
Geslingerd als een rietscheut door den wind,   BILD. 6, 396 [1806].
Zijn het ijdle galmen, Die 't bruischen van den storm door rietscheut jaagt en halmen?   6, 409.
Een rietscheut …, Die my voor speeltuig strekt,   HASEBROEK, Poëzy 106.
Rietschok, in N.-Holl.: afgestoken stuk riet.
De rietschokken worden gedroogd en voor brandstof gebruikt,   BOEKENOOGEN 898.
Rietschol, losdrijvend stuk riet (BOEKENOOGEN).
Rietscholver, te Zaandam: de strook riet langs den kant van de sloot, hetzelfde als rietschoot (BOEKENOOGEN).
Rietschoof, schoof of bos riet.
Alvoorens salmen door eenige brandende Rietschoven … deselve (t.w. de scheepshuid) van haar buiten-om, en aanhangende ruigte ontblooten,   V. YK, Scheepsb. 91 [1697].
Dat er sommige bouwheeren zijn, die over het rietdak of rietschooven, nog ten overvloede steenen pannen laten leggen,   BERKHEY, N.H. 9, 45 [1811].
Rietschoot, in N.-Holland: de rand van riet, die de oevers van het land tegen den aandrang van het water beschermt (eig.: afschutting, omheining van riet, verg. rietschot en zie verder BOEKENOOGEN).
De schouw over de slooten, over het snijden van riet en de rietschoten aan de dijken, bleef in elken ban door schout en schepenen gedaan worden,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 536.
Om de landerijen, van welke soort ook, mag geen ander gewas geplaatst worden dan vaste rietschoten,   Publicatie bij BOEKENOOGEN [1895].
Rietschor, met riet begroeide plaats langs den oever van een rivier.
Riet-schore. Arundinetum littoreum siue riparium,   KIL.  (zie ook JOOS [1900-1904]).
Rietschot, te Assendelft hetzelfde als rietschoot (BOEKENOOGEN).
Rietschutsel, schutting van riet, rieten schutting. In de volgende plaats aangetroffen.
Hare huysinghen staen al over hoop onder een, maer deur dien een yeder sijn huysinghe apart afhenckt met een rieden schutsel, … so maken de riedschutsels de Straten,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 33 a [1602].
Rietschutting, hetzelfde als rietscherm.
Keuren tot conservatie vande Duynen, Helmplantinge, steecken van Riet-schuttinghen, ende anders,   Keuren v. Delff-landt 17 [1656].
De Riede-schuttinghen, die voorde Dorpen van Schevelinge, ende de Heyde, tot groote costen van 't Gemeene-Landt werden gesteecken,   18.
De Riedt-schuttinghen sullen gemaeckt werden van goet Riet, sonder eenich blat-Riet daer toe te besigen, hooch wesende uyt 't zandt vier voeten, vijf elsche palen …, seven voeten langh, drie voeten in't zandt gesteecken, gegort met drie gordingen, of latten van elschen of willigen hout enz.,   27.
Rietschuttingen om 't opwaaiende zand vast te leggen,   TUTEIN NOLTHENIUS, in Gids 1913, 1, 404.
Rietsigaar, in W.-Friesl. benaming voor de lischdodde, Typha (HEUKELS 263 [1907]); aldus geheeten, omdat de gedroogde aren door jongens worden gerookt.
Rietsnep, soort van snep.
Riedtsneppe. Becasse qui se tient aux cannes,   PLANT. [1573].
Rietsnijder, persoon die riet snijdt.
Rietsomp, meestal in het mv. rietsompen: losse afgebrokkelde stukken van rietkraggen (zie BOEKENOOGEN).
Rietspit, voorheen in Zaanland: een afgespit stuk riet (zie BOEKENOOGEN).
Rietspreiing, laag riet ter bescherming van een dijk; verg. bij Rietlaag.
De kosten van een rijsbeslag met tuinen bezet, en aangelegd op eene stroomat en spreilaag van riet, bedragen per 100 vierkante ellen: Voor de krammat … f 6.00, Voor de rietspreijing … -3.631/2, enz.,   PIJTAK 507 [1848].
Rietstern, andere benaming voor de zwarte zeezwaluw, Sterna nigra, ook rietzwaluw geheeten (STARING, Huisb. 338 [1862]).
Rietstoppel, in den grond overgebleven stuk riet.
(Dit veen) is … vol Riet-stoppels, of meest al Riet-wortels, die 'er onderscheiden in te zien zyn,   BERKHEY, N.H. 2, 622 [1770].
Rietstulp, in de volgende plaats gebezigd voor: onaanzienlijke hut van riet.
De Jager zal mijn klacht van uit zijn rietstulp hooren, En huivren voor mijn stem,   BILD. 2, 31 [1797].
Samenst. Rietstulppoort.
Het herdervolk vliegt toe, dringt door de rietstulppoorte Om 't kind (t.w. Christus) te groeten,   BILD. 5, 145 [1817].
Riettjikker, in sommige streken van Vlaanderen benaming voor de rietmusch.
Te Cuerne heeten ze de rietmussche gerrepie en elders riettjikker,   Loquela 14, 18 [1894]
 (zie ook Loquela 14, 20 [1894]) .
Riettogel of Rietteugel, gewoonlijk in 't mv.: losse, harde rietstengels en wortels die naar boven komen drijven.
De riettogels versperren de sloot en worden er daarom uit verwijderd,   BOEKENOOGEN.
— Alle de slooten … moeten werden Geklaart en Gehalmert … ter weytte van ses voeten op het Water … en een half voet klaar water daar in, zonder eenige Riet-togels, Biese ofte Honing-bossen daar in te laten staan,   Keuren v. Waterl. 59 [1690].
Rietuil, zeker soort van uil, genoemd bij BERKHEY, N.H. 3, 23 [1772].
Rietveder, in de volgende plaats vermoedelijk hetzelfde als Rietpluim, 1) (verg. DODON. 1034 b [ed. 1608]).
De wollighe hayrkens van Lisch-donsen, van Riet-veders, en Wegh-distel,   V. BEVERW., Holl. Geneesm. 16 b.
Rietveen, een stuk veenland waarop veel riet groeit (zie BOEKENOOGEN); ook: de soort veen waarin het riet groeit.
(Dit veen) is … vol Riet stoppels, of meest al Riet-wortels, … waarom wy den naam van Rietveen met recht aan deeze Specie mogen geeven,   BERKHEY, N.H. 2, 622 [1770].
Koedyker Riet-veen,   2, 623.
Rietverdek, in de volgende plaats voor: rietdak.
Onverlaten Die God en Vaderland … haten, En, vuige zwaluwen, voor gastvrij rietverdek Hun dank betalen in verfoeibren gruweldrek,   BILD. 11, 381 [1824].
Rietvlechten.
Jongens, die … rietvlechten hebben geleerd op de onderneming der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord,   Versl. Handel en Nijverh. 1912, 254.
Afl. Rietvlechter. — Samenst. Rietvlechtschool.
De Rijksrietvlechtschool te Noordwolde.   poëem WNT
Rietvlerken, in sommige streken van Vlaanderen: een rietstok (oneig. ook een anderen stok) op den rug en onder de vlerken van hoenders vastmaken, om haar te beletten door de haag te kruipen.
't Is gemakkelijk eene henne pakken die gerietvlerkt is,   Loquela 8, 52 [1888].
Rietvoet, voet (d. i. berm) van riet gemaakt, zooals soms aan de buitenzijde van een dijk werd aangebracht. Reeds in het Mnl., zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1382.
Verscheyde Wercken van Sant ende plempinge, nieuwe Paelwercken ende nieuwe Rietvoet, midtsgaders verswaringe van de oude Paelwercken ende Rietvoet, Krabben Hoofden ende andere Wercken,   Resol. Holl. v. 7 Mei 1678.
Rietvorsch, zekere soort van kikvorsch.
Riet-vorsch. Calamitharanœ minimè genus inter calamos degens,   KIL.
Rietvorst, groote vorst (bolle dakpan zonder neus) ter bedekking van de nokken en hoekkepers van een rieten dak.
Men vervaardigt ook een veel grooter soort van vorsten, bekend onder den naam van rietvorsten; omdat zij eigenlijk dienen, om de nokken en hoekkepers van riet- en stroodaken te bedekken,   PASTEUR-NOOT 2, 282.
De nok, welke bij het dekken van rietdaken de meeste zorg vereischt, wordt, om inwatering voor te komen, meestal met stroo gedekt; omdat dit buigzamer is. Het is nogtans beter op dezelve zoogenaamde rietvorsten te leggen,   2, 372.
De rietvorsten zijn grooter dan de vorstpannen, en worden bij rieten daken, ook tot bedekking van schoorsteenen gebruikt,   COOPMAN, Steenb. 65.
Samenst. Rietvorstpan, hetzelfde als rietvorst.
Rietwerk, alle werk van riet aan de dijken; verg. aardwerk en wierwerk.
Item sal die dijckgrave gehouden zijn alle jaeren omtrent Sinte Pietersdach ad Cathedram die voersz. steden ende heemraden te bescriven tot Medenblieck omme aldaer … te keuren dat aertwerck ende desgelycx oick mede die wierum met dat rietwerck,   in O. Vad. Recht, Versl. II, 235 [1510].
Item dat men van nu voert aen die sloeten diepen ende wijden sal tot allen plaetsen daer men mit aerdewerck ofte rietwerck an den dijcke comt, ten eynde dat men mit geladen schuyten aen den dijck varen mach, II,   243 [1518].
Rietwijze, op de wijze van riet, zooals riet, rietachtig. Ongewoon.
Riedtachtich, riedtwijse. Semblable à roseaux. Arundinaceus,   PLANT. [1573].
Rietworm, bij visschers in de Zaanstreek: de larve der libellen (juffertjes), die in de knoppen van het riet verblijf houdt en die schade aan de zijden vischnetten toebrengt (BOEKENOOGEN).
Rietwortel; zie een aanhaling bij Rietstoppel.
Ook als geneesmiddel.
Rietwortel, Rhiz. arundinis,   VISSER, Volksn. 65 b.
— Om de Nieren, en Blaes te suyveren … hebben … kracht … Radijs, Rakette, Riet-wortel enz.,   V. BEVERW., Holl. Geneesm. 20 b.
Rietwouw, een in sommige streken van N.-Nederl. voorkomende benaming voor den bruinen kuikendief, Circus rufus.
De bruine kuikendief, dien men gewoonlijk wouw en in Noord-Holland ook wel rietwouw noemt,   BURGERSDIJK, Dieren 2, 124 [1869]
 (zie ook STARING, Huisb. 302 [1862]; ALBARDA, Ned. Vogels 53 [1897]) .
Rietzingertje, verouderde benaming voor den nachtegaal-rietzanger (HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 571 [1763]: Motacilla salicaria; CHOMEL 1704 a [1770]: Luscinia salicaria).
Rietzwaluw, andere benaming voor de zwarte zeezwaluw, Sterna nigra.
De zwarte zeezwaluw, ook wel bruin- of zwartstern of rietzwaluw genoemd,   BURGERSDIJK, Dieren 2, 466 [1869].
— In de bet. A, II, 2, d).
Rietbindsel.
Rietbindsel voor Clarinette in koper 0.35 Gld., in nieuw zilver 0.50,   Uit een catalogus.
— In de bet. A, II, 2, g, α) of β).
Riethaak, bij kamslagers: haak dienende om de draden door te halen (JOOS [1900-1904]).
Rietkam, weefkam of weefblad, hetzelfde als Riet (I), A, II, 2, g, β).
Het weef-blad of de weef-kam, veelal … riet-blad of riet-kam en ook wel eenvoudig blad of kam geheeten,   KUYPER, Technol. 2, 58.
De ketting (loopt) van den garenboom … door de kruisroeden …, alsdan door de schachten en den in de lade of slag bevestigden rietkam of riet, voorts over den borstboom enz.,   GROTHE, Mechan. Technol. 336 [1879].
Het aanslaan met den rietkam,   GROTHE, Mechan. Technol. 342 [1879].
Rietmaker, eigenlijk: iemand die de rieten van den weefkam maakt, en vandaar: iemand die weefkammen vervaardigt, kamslager. Reeds in het Mnl. ; zie ook DE BO [1873].
Rietmakers, Ghetou makers, Wiel makers enz.   , ORLERS, Beschr. v. Leyden 260 [1641]
 (zie nog eenige voorbeelden bij RIET (I), A, II, 2, g, β) .
Rietstelder, bij kamslagers: ”langwerpig stuk hout, dat op een scherpen hoek eindigt en dient om de hoogte der rieten vast te stellen” (JOOS [1900-1904]).
Rietstreep, gaal.
Telkens, wanneer de ketting noodeloos hoog in 't riet staat, (openbaart) dit gebrek zich in het weefsel … door 't geen men galen of riet-streepen noemt, waarbij de draden van eene en dezelfde opening van 't blad dicht bijééngedrongen blijven, terwijl er van de eene stift tot de andere eene merkbaar grootere tusschenruimte zichtbaar blijft,   KUYPER, Technol. 2, 59.
Riettang, tangetje dat dient om de rieten uit te trekken (JOOS [1900-1904]).
Rietvol.
De zich in eene enkele tusschenruimte bevindende draden heeten bijééngenomen een riet vol,   KUYPER, Technol. 2, 58.
— In de bet. B).
Rietpapier, papier van de papyrusplant (behoorende tot de familie der Cyperaceae).
De laatere eeuwen hebben een ander zoort van Papier uitgevonden, … waar door het gebruik van 't Riet papier … in vergetelheid geraakt is,   CHOMEL 2588 b [1773].
— In de bet. B, 2).
Rietaanplant. 1°. Het aanplanten van suikerriet.
De overgang van den gedwongen tot den vrijen rietaanplant heeft van den suikerfabrikant groote krachtsinspanning gevorderd,   V. LAWICK in COLIJN, N.I. 2, 147 [1912].
2°. Het aangeplante suikerriet.
Om een rietaanplant van voldoende water te voorzien schijnt 0,4 tot 0,5 liter per bouw per seconde noodig te zijn,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 158 a.
De inlandsche bevolking ontvangt … per jaar … van f 300.— tot f 375.— per bouw rietaanplant,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 723 [1912].
Samenst. Gouvernementsrietaanplant.
De leidingen en dammen, die voor den gouvernements-rietaanplant elk jaar goed werden nagekeken en onderhouden,   V. LAWICK in COLIJN, N.I. 2, 126 [1912].
Rietaanplanting, hetzelfde als rietaanplant.
Twee dezer zaadrietsoorten … leveren thans verreweg het grootste gedeelte der rietaanplantingen,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 722 [1912].
Rietbak, bak waarin suikerriet wordt vervoerd.
Transporteren van riet, 2 hoofden per rietbak of pont,   Publicatie v. 6 Mei 1851, Bijl. C, a. 13 bb  (Gouvernementsbl. v. Suriname n°. 4).
Rietebloed; in de volgende aanhaling voorkomende.
Het merg van suikerrieten … O lieflijk rietebloed!   ANTONIDES 1, 44 [1671].
Rietbrand, brand in het te velde staand suikerriet.
Schadelijke insecten (ontwikkelen zich) door het trassen (d. i. het afplukken der droge bladeren) minder sterk en rietbranden zullen niet zoo gemakkelijk voorkomen,   Encyclop. v. Ned.Indië 4, 158 a.
Rietcultuur, de teelt van suikerriet.
De sawah's, die voor de rietkultuur beschikbaar komen,   VETH, Java² 4, 519.
In tegenstelling met de meeste andere tropische landen waar de rietcultuur en de suikerfabricage afzonderlijk gedreven worden, zijn deze twee bedrijven op Java nagenoeg altijd in ééne hand vereenigd,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 725 [1912].
Rietcylinder, een der drie cylinders in een rietmolen.
De twee onderste cylinders, respectievelijk riet- en ampascylinder genaamd, draaien in dezelfde richting; de derde of topcylinder beweegt zich in omgekeerde richting,   V. STÜRLER, Ned. O.-I. Cultuurgew. 137.
Het riet wordt tusschen top- en rietcylinder in den molen gebracht,   Ald.
Rietdeel.
De specht kan schadelijk worden door het groeipunt van het riet te beschadigen, hetzij om rupsen of poppen te zoeken, hetzij om de weeke rietdeelen te eten,   Encyclop. v. Ned.Indië 4, 159 b.
Rieteinde.
Stukken riet, die in den grond zijn gebleven, steken verkoold hier en daar uit en daartusschen enkele groene sprietjes, de blaadjes van een rieteinde … dat nog uitloopt,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 283 a.
Rietgat, een der gaten in de geulen der rietvelden gemaakt, waarin de stekken van het suikerriet worden gelegd.
Delven van rietgaten …, de gaten à 21/2 voet breed en 9 duim diep,   Publicatie v. 6 Mei 1851, Bijl. C, a. 13 r ( Gouvernementsbl. v. Suriname n°. 4).
Delven van rietgaten in omgeslagen of omgespit land, met het houweel, ter diepte van 6 à 7 duim,   Publicatie v. 6 Mei 1851, Bijl. C, a. 13 t ( Gouvernementsbl. v. Suriname n°. 4).
Rietgewicht.
Door den eersten molen wordt circa 65% van het rietgewicht aan sap uitgeperst, door den 2en molen nog circa 10% meer en door 3 molens … te zamen over de 80%, zoodat niet meer dan 7 à 9% verloren gaat,   Encyclop. v. Ned.Indië 4, 167 b.
Riethuis, huis of loods waar het geoogste suikerriet wordt bewaard.
De rietstokken, die aan bossen in het riethuis liggen,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 295 b.
Rietkweekbedding, bedding waarin de stekken van het suikerriet soms worden gekweekt, voordat zij in de plantgaten gelegd worden.
Doode planten, die door andere, aangevoerd uit de nabij gelegen rietkweekbeddingen, vervangen zouden worden,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 283 b.
Rietmolen, molen door middel waarvan het sap uit het suikerriet wordt geperst.
Een kleine rietmolen … tot verkrijging van rietsap bestemd ter analyse,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 299 a.
Rietoogst.
Wanneer de rietoogsten regelmatig afwisselen met padioogsten,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 158 b.
Rietopbrengst, opbrengst aan suikerriet.
De rietopbrengst is meer dan verdubbeld,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 721 [1912].
Rietplanter, planter van suikerriet.
Zoodat de fabrikant (van suiker) tevens rietplanter werd,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 720 [1912].
Rietproductie, rietopbrengst.
De zaadrietvariëteiten munten boven de andere variëteiten uit door grootere rietproducties en daarmede gepaard gaande grootere suikeropbrengsten,   V. STÜRLER, Ned. O.-I. Cultuurgew. 120.
De rietproductie per bouw is natuurlijk afhankelijk van verschillende omstandigheden, zooals variëteit, grondsoort, meer of minder gunstig weer,   130.
Rietrij.
Men poot dan (t.w. bij zoogen. groene bemesting) grondnoten in 2 rijen kort na het maken der geulen … om later de planten uittetrekken en dan langs de rietrijen onder den grond te werken,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 159 a.
Rietsap, sap van suikerriet.
Rietsap om te drinken,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 146 a.
Het rietsap zooals dit door uitpersing en filtratie door een betrekkelijk grove zeef wordt verkregen, is eene troebele, schuimende, min of meer grauw gekleurde vloeistof,   4, 168 a.
Rietstek, stek van een suikerrietplant (bestaande in een deel van den stengel met twee of meer knoppen) die in een der gaten van de in het rietveld gemaakte geulen wordt gelegd.
Voor het transport over grooten afstand van rietstekken worden de uiteinden wel eerst geteerd,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 154 a.
Kosteloos vervoer van rietstekken (bibit),   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 721 [1912].
Rietstoel, zie de eerstvolgende aanhaling.
Uit dit primaire stengeltje ontwikkelen zich, wanneer het plantje eene hoogte van circa 30 c.M. heeft bereikt, aan de onder den grond zich bevindende knoopen der nog uiterst korte geledingen, door uitloopen der zich aldaar reeds bevindende oogen, secundaire stengels, die te zamen met den primairen stengel den zoogenaamden rietstoel vormen,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 154 b.
Op het veld staan niets dan de halmen, van bladeren ontdaan, en deze worden met breekijzers van den rietstoel losgemaakt en met de wortelpunt uit den grond gewerkt,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 283 a.
Rietteelt, rietcultuur.
Proefstations voor de rietteelt,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 721 [1912].
Riettuin, kweekplaats van suikerriet.
Op verschillende plaatsen maakt men heiningen … om de riettuinen, ten einde het riet te beschutten tegen losloopend vee en diefstal,   Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 158 a.
Rietvariëteit, een verscheidenheid van het suikerriet.
Om door zaailingen een goede rietvariëteit te kweeken,   V. MOLL, in De Natuur 1896, 282 a.
Rietverbouwer, iemand die suikerriet verbouwt, rietplanter.
Intensieve grondbewerking, bemesting, verzorging van den aanplant hebben bij den Inlandschen rietverbouwer gewoonlijk niet plaats, zoodat het verkregen product minderwaardig is voor de bereiding van suiker,   JASPER in COLIJN, N.I. 1, 173 [1911].
Rietwas.
Op den bast van het riet treft men rietwas aan, dat bij de fabricage geen hinder oplevert,   V. STÜRLER, Ned. O.-I. Cultuurgew. 135.
— In de bet. B, 3, a).
Rietboom, boomachtig riet of bamboes.
De doornagtige Riet-boom (Bulu Baduri),   RUMPHIUS, Amboinsch Kruidb. 4, 14.
Rietstruik, bamboes; aldus genoemd wegens zijn ineengestrengelde wortels en worteldeelen. Door de zwaarte daarvan drijven de bamboesstengels meestal rechtop in zee.
(Wij) hebben … de Trombas oft groote riedt-struycken sien drijven (niet ver van Kaap de Goede Hoop),   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 79 d [1598].
Hier (in Indië) is niet gemeender dan rietstruiken te zien, midden onder allerhande zoorten van Varen-kruid,   RUMPHIUS, Amboinsch Kruidb. 4, 4.
— In de bet. B, 3, b, β).
Rietslag, slag met een eind riet of rotting, rottingslag.
  Bijv. Stbl. 1815, blz. 1029-1030.
Twee onderofficieren worden voorgeroepen en gelast den arrestanten ieder honderd rietslagen toe te tellen,   V. REES, T. Poland 1, 194 [1867].
Negen soldaten … werden 's anderendaags elk met 50 rietslagen gestraft,   V. REES, T. Poland 1, 216 [1867].
— Als tweede lid. In de bet. A). In verschillende benamingen van het gewone riet (Phragmites communis), hetzij als levend gewas, hetzij na gesneden te zijn tot verschillende doeleinden gebezigd. Bladriet (zie Dl. II, 2768 en verg. nog de volgende plaatsen: ”Eene dubbele gording paalwerk …, van agteren, op een' vloer van rys en bladriet, met puin en keisteen, bestort,” WAGEN., Amst. 3, 79 a; ”Bij Broek in Waterland wordt het bladriet in den zomer groen gesneden en gebruikt tot dekking van hooischelven en tot strooijing van het vee in de stallen,” V. HALL, Landh. Flora 254 [1854]; ”Ook elders wordt het bladriet veel tot dekking van aardappelen en appelen gebruikt,” 255)
dakriet (zie Dl. III, 2250)
dekriet (zie Dl. III, 2382 en verg. nog: ”Gemeyn Riet, oft Deck-Riet,” DODON. 1035 a [ed. 1608]; ”Deck-Riet …, seer bequaem om de huysen mede te bedecken, daer het den naem van heeft, ende daerbeneffens bijster bequaem om daer de hoven, tuynen, grachten, vesten, ende besaeyt landt mede af te schutten ende te tuynen,” 1036 b; ”Ons gemeyn Dec Riet”, Ald.; ”(Riet) dat 's winters gesneden wordt, heet hard riet en wordt gebruikt tot dekriet op de daken,” V. HALL, Landh. Flora 254 [1854])
droogriet, hetzelfde als dekriet (”Het … droog- of dekriet … is riet dat in den winter wordt gesneden, wanneer de bladen in pluizen zijn overgegaan,” STORM BUYSING, Waterb. 1, 343)
groenriet, hetzelfde als bladriet (”Het riet wordt onderscheiden in groen- of bladriet en dekriet; het eerste wordt gesneden in den zomer en moet zijn taai en wel volwassen, in het blad staande gesneden en niet gekreukt, verbroeid of gestikt, en met geene biezen, sek of andere gewassen vermengd,” STORM BUYSING, Waterb. 1, 343)
halriet (zie dat woord en verg. nog HEUKELS 181 [1907])
matriet (”Als het riet gesneden is, worden de droge halmen in den handel gebracht als matriet en dekriet. Het eerste wordt verwerkt tot matten voor kweekerijen en steenbakkerijen en door den stucadoor tot het samenstellen van plafonds gebruikt,” EVERWIJN, Handel en Nijverh. 244 [1912])
oeverriet (zie Dl. X, 57; HEUKELS 181 [1907] en straks bij slootriet)
ruischriet (HEUKELS 182 [1907])
slootriet (”Het gemeene Sloot-, Dek- of Oeverriet, ook wel enkel Riet geheeten,” OUDEMANS, Flora² 3, 475; zie nog V. HALL, Landh. Flora 253 [1854]; HEUKELS 182 [1907])
spoelpijpriet (DE BO [1873])
stukadoorsriet (”Stukadoorsriet voor plafonds,” Versl. Handel, N. en Sch. 1912, 255)
walriet (DE BO [1873])
waterriet (”Het gewone waterriet,” V. LENNEP in VONDEL 2, Nal. 9 [1856]; ook genoemd door HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 13, 364 [1782])
zoomriet (HEUKELS 182 [1907]).
— Naast het gewone riet komen als rietsoorten voor: helmriet, Arundo arenaria, een andere benaming voor helm (zie Dl. VI, 523)
hengelriet (zie ald.) of paalriet, Arundo Donax, andere benamingen voor het Spaansch riet (”Het paalriet, is de reus onder de europesche grassoorten, daar het 8 à 10 voet hoog en ter dikte van een duim groeit,” Ned. Handelsmag. 1026 a [1843]), waarnaast ook zaairiet (”Het wordt ook Zaay-Riet geheten of Tam Riet …, en Cypersch of Spaansch Riet, naar de Groeiplaats, of Hengelriet, naar het gebruik,” HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 13, 362 [1782]). Een aantal samenstellingen, grootendeels uit het Grieksch of Latijn vertaald, vindt men voorts bij DODON. 1035 e.v. [ed. 1608], b.v. boogriet, pijlriet (ook bij RUMPHIUS, Amboinsch Kruidb. 4, 21), pijpriet, schrijfriet (DODON. 1044 a [ed. 1608]) enz.
— In de bet. A, II, 2, c). Haverriet, herdersfluit, hetzelfde als haverpijp (zie Dl. VI, 150), verg. ook boven hauv'ren (haveren)riet (”D'eene zittende aen d'Oever van een stilstaende Beeckxken … D'ander neuryende op zijn havier-ried de Lofzanghen zijns vriendinneken,” RODENBURGH, Tr. Bat. II).
— In de bet. A, II, 2, f). Meetriet (zie Dl. IX, 629).
— In de bet. A, II, 2, g, α). Weversriet (”Het weversriet (is) een deel van den weverskam”, DE COCK en TEIRL., Kindersp. 7, 279 [1907]).
— In de bet. A, II, 2, g, β). Achterriet en voorriet (zie die woorden).
— In de bet. B). Bloemriet, papierriet (zie bij het eerste lid). Voorts in de benamingen van het plantengeslacht Calamagrostis en zijn soorten: duinriet, hageriet, landriet, pluimriet, strandriet, struisriet, veenriet (Ned. Plantenn. 11; HEUKELS 48 [1907]); verg. OUDEMANS, Flora² 3, 470: Onze oudere floristen brachten onze tegenwoordige Calamagrostides tot het geslacht Arundo.
— In de bet. B, 2). In suikerriet (zie ald.) en de namen van soorten of verscheidenheden (variëteiten) daarvan. Fabricatieriet of maalriet (”Door het gebruik van de toppen van fabricatieriet (maalriet) als stekken is het planten van het oogsten afhankelijk,” Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 154 a; ”Het liefst moet … maalriet van zwaren grond genomen worden, hiervan de krachtigste, gezondste stokken getopt en dit uiteinde als plantmateriaal gebruikt,” V. MOLL, in De Natuur 1896, 282 b) met de samenst. maalriettuin (”Als men zeker is, dat het riet van staande maalriettuinen vrij is van seréh, worden ook de toppen daarvan als stekken gebruikt,” V. LAWICK in COLIJN, N.I. 2, 152 [1912])
Tjeribon-riet e.a. (”Het belangrijkste suikerriet op Java is het Zwarte Cheribonriet,” Encyclop. v. Ned.-Indië 4, 152 b; ”Zooals Java zijn Cheribonriet heeft vindt men op Cuba het zoogenaamde Cristallineriet; verder in W.-Indië het Bourbonriet, op de Sandwich-eil. het Lahaineriet,” 4, 163 b; ”Men (heeft) voor den aanplant getracht nieuwe soorten te verkrijgen, die een hoog gehalte aan suiker hebben en beter dan het vroeger algemeen geplante Cheribon riet bestand zijn tegen verschillende ziekten,” V. LAWICK in COLIJN, N.I. 2, 152 [1912])
zaadriet, suikerriet dat uit zaad is gewonnen (”Den proeftuin, waar het zaadriet nog in potten of bakken stond,” V. MOLL, in De Natuur 1896, 283 b); enz.
— In de bet. B, 3, a). In benamingen voor het bamboes. Bamboesriet (zie Dl. II, 947)
boomriet, verg. rietboom (”Het dunne Boomriet Leleba genaamt”, RUMPHIUS, Amboinsch Kruidb. 4, 1; ”Hoe hooger zoort van boomriet, hoe kleinder de bladeren zyn”, 4, 11)
struikriet, verg. rietstruik (”Den 1. Augusti saghen wy diversche Struyckrieden, diese Trombas noemen, d'welck een goedt kenteecken is”, O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 3 d [1598]).
— In de bet. B, 3, b). In benamingen voor den rotting of rottingsoorten. Peperriet, rottingriet, stoelriet (zie bij het eerste lid).
— In dialectische benamingen. Verg. de bet. B, 4). Bloemriet, in Vlaanderen voor de zwanenbloem of waterlisch, Butomus umbellatus (HEUKELS 47 [1907])
Eccehomoriet (in Vlaanderen), papenriet (in Waterland), sigarenriet (in Z.-Holl., op Walcheren, de N.-Veluwe) voor de lischdodde, Typha (HEUKELS 263 [1907])
kolfriet, kruisriet, in Vlaanderen voor de kleine lischdodde, Typha angustifolia (HEUKELS 263 [1907])
lintriet, in Vlaanderen voor het rietgras, Phalaris arundinacea (HEUKELS 179 [1907])
melkriet, in verschillende gedeelten van Zeeland voor: 1°. de akkermelkdistel, Sonchus arvensis (HEUKELS 241 [1907]); 2°. de melkdistel, Sonchus oleraceus (HEUKELS 242 [1907]); 3°. de moerasmelkdistel, Sonchus paluster (HEUKELS 242 [1907]); 4°. de paardebloem, Taraxacum officinale (HEUKELS 250 [1907]); vandaar stekelmelkriet, de ruwe melkdistel, Sonchus asper (HEUKELS 242 [1907]).

Aanvulling bij RIETI

Samenst. Rietkraag, begroeiing van riet aan een waterkant.
In den polder achter den rietkraag aan den overkant klonk een schot,   N. Rott. Cour. 19 Maart 1933, Ochtendbl. B.
Breede rietkragen en verrukkelijke uitzichten over het typische Hollandsche polderland … maken de Wijde Aa tot een van onze aantrekkelijkste watersportgebieden,   Waterkamp. n° 810, 75 a [1946].
Uitbreiding van het aantal ligplaatsen voor schepen, … bescherming van eilanden en rietkragen, een en ander in samenwerking met de bevoegde instanties,   Waterkamp. n° 817, 79 a [1947].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1915.