Koppelingen:
Vorig artikel: ROMPEN Volgend artikel: ROMPSLOMP

ROMPER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: romper

znw. m., mv. -s. Uit eng. romper (1909 in toep. op kinderkleeding).
Ben. voor zeker kleedingstuk voor vrouwen, volgens de aanh. vergelijkbaar met een hansopje.
Een romper heeft het model van een mannenoverhemd …, eigenlijk een soort hansopje, niet verder reikend dan de liezen, waar hij met een elastiekje om het dijbeen sluit. Hij heeft geen kruis,   N. Rott. Cour. 2 Sept. 1967.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.