Koppelingen:
Vorig artikel: SINGLET Volgend artikel: SINGULIER

SINGULARITEIT

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: singulariteit

znw. vr., mv. -en. Niet in Mnl. W. Uit fr. singularité (c. 1190 singulariteit, eind 14de e. singularité < laatlat. singularitas `het enkel zijn; het bijzonder zijn'); zoo ook eng. singularity (BARNHART c. 1230, singularite in de bet. `uitzonderlijk gedrag', O.E.D. voor 1340; 1893 in de bet. 2); du. singularität (in de bet. 1 en 2).
1.  Het bijzonder zijn; bijzondere aard.
  V.D. WERVE L i v° b [1553].
  KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
  V. DALE [1872 ].
— Ziehier dan, mijn lezer, de onderstreepte passages uit de Hortense! Oordeel zelf eens, of zij om hunne singulariteit geen plaats van uitzondering verdienen,   KINKER, D. en O. 276 [1788].
2.  (Wisk.) Bijzonder punt. In de differentiaalmeetkunde: punt in het lijnenelementenveld waarvoor een bepaalde vergelijking geen (of te veel) waarden van dy/dx vastlegt; punt waarin een functie een oneindige waarde aanneemt.
  V. DALE [1976].
Singulariteiten der dubbelkromme in het oneindige,   SCHUH in Verh. K.A. 1ste Sectie, 9, 5, 33 [1908].
3.  (Natuurk.) In de veldtheorie: punt in een veld waarin de veldsterkte een oneindige waarde aanneemt.
Wel heeft men een tijdlang gemeend, dat men de materieele deeltjes als singulariteiten, als werveltjes of knoedeltjes in den aether mocht opvatten. De ondeelbaarheid en onderlinge gelijkheid dezer singulariteiten bleef echter een raadsel, terwijl men bovendien de theorie niet op zeer bevredigende wijze wiskundig kon formuleeren,   Natuurk. Voordr. N.R. 16, 36 [1938].
4.  (Meteorol.) Een geregeld, op vrij vasten datum, weerkeerende weerssituatie of weersomslag, b.v. de ijsheiligen.
  V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.