Koppelingen:
Vorig artikel: WUWE Volgend artikel: X

WYBERT(JE)

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: wybertje/wybert

znw. m., mv. -s. Meestal in den verkl. In de 1ste aanh. in den vorm wyber, wsch. omdat de -t- in wybertje gezien werd als deel van het verkl. suffix. Eponiem naar den Duitschen dokter Emanuel Wybert die in 1846 het recept voor keelpastilles maakte die oorspr. Wybertli werden genoemd. Zie GRAULS, Eponiemen [1991].
Merknaam van een zwart ruitvormig dropje; (fig.) ruitvormige figuur, of ruitvormig (typographisch) teeken.
Wybers, dobbelstenen, azen (uit het kaartspel) en zigzagpatronen spelen in Cardins collectie een grote rol,   Leidsch Dagbl. 31 Jan. 1966.
De tuinjurk ernaast is minder geposeerd, gemaakt van dunne batist, elastisch in de taille, en in een dessin van zwarte wybertjes op een groen wit en paars fond,   N.R.C.-H. 1 Juli 1972.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2001.