Koppelingen:
Vorig artikel: EL II Volgend artikel: -EL IV
GTB Woordenboeken: MNW

-ELIII

Woordsoort:

Modern lemma: -el

achterv. waarmee van znw. en ww. andere znw., waaronder verkleinwoorden, worden gevormd. Mnl. -el(e); os. -il(a), -al; mnd., nnd. -el; ohd. -il(la), -ula, -al, mhd. -el(e), nhd. -el; ofri. -el; ags. -el, -il, -ol, oeng. -ule, -le, meng., neng. -el, -le; ono. -ill; got. -ils. Uit germ. *-l- < idg. *-l-. Oude vindplaatsen zijn o.a. droppel < drop (dropel (Gloss. Bernense 213, 6 [1240])) en eikel < eik (ekele (Gloss. Bernense 211, 8 [1240])); ter vorming van zaaknamen gordel (Gloss. Bernense 321, 5 [1240]) en sleutel (slotel (Gloss. Bernense 157, 15 [1240])).
In Vl.-België wordt het achterv. nog als diminutiefsuffix gebruikt (SCHÖNFELD § 227): muizel, pluizel, sprietel, stremel, totel (teutel) afgeleid van muis, pluis (II), spriet, striem; in het nndl. is het alleen versteend bewaard gebleven in woorden als druppel, eikel, ijzel, korrel, pukkel, vezel en wezel. De verkl. wordt dan echter niet als zoodanig gevoeld; dat blijkt uit het feit dat er achter -el vaak nog een ander diminutiefsuffix wordt geplaatst; vroeger -elkijn: knapelkijn, ruggelkijn, visschelkijn en thans -eltje: druppeltje, hommeltje, stippeltje (zie -KIJN). Zie voor een diminutiefvormend -l-suffix ook -LIJN (V).
Voor vorming van andere afl. dan verkleinwoorden is het achterv. thans niet meer productief. Deze znw. kunnen van een znw. of ww. afgeleid zijn. Een relatief jong woord, op basis van een znw., is hoepel, dat pas sinds de 16de e. bekend is (b.v. LAMBRECHT, Naembouck [1562]). De znw. die op basis van den ww.-stam gevormd zijn, zijn vnl. zaaknamen: breidel, hengel, hevel, klepel, schepel, tondel, wafel, werdel; een enkelen keer betreft het een persoonsnaam beudel (beul) en weifel 'gerechtsbode'. Andere persoonsnamen met den uitgang -el hebben een anderen oorsprong: het zijn leenwoorden uit het lat. (apostel, duivel, engel) of de etymologie is niet zeker (gijzel, kerel, lummel, slungel). In een enkel geval is het -l-suffix verborgen, b.v. in beul (voorheen beudel), dweil (van dwaan, vgl. den vl. vorm dwegel), spil (I) (van spinnen). Vgl. -ER (VII).
Door den ouden vorm -il hebben sommige woorden op -el een umlaut gekregen: bussel, kneukel, pukkel (van bos, knok, pok) en beugel, sleutel, stempel (van buigen, sluiten, stampen). In enkele gevallen is het niet duidelijk of er misschien sprake is van een verbaalabstr. van een frequentatief ww.: krinkel, schrankel, troevel, warrel, windel.
+I.  Met een znw. als grondwoord.
+II.  Met een ww. als grondwoord.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 2004.