Koppelingen:
Vorig artikel: AANBRENGST Volgend artikel: AANBRIEVEN

AANBRIESCHEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: aanbriesen

onz. en bedr. zw. ww., met zijn en hebben: brieschte aan, is en heeft aangebriescht. Uit Brieschen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen.
I.  Onz. Aan in den zin van nadering (34, g). Hulpw. zijn. Brieschend naderen.
'k Hoor Olifanten uit hun naere wouden schreeuwen, De wilde rossen, blint van dollen oorlogslust, Aenbrieschen, dat het rookt en dreunt op al de kust,   ANTONIDES 1, 53 [1671].
II.  Bedr. Aan in den zin van richting naar het doel (34, h). Hulpw. hebben. Brieschen tegen iemand of iets, brieschend begroeten of bedreigen.
Een paard, dat zijnen meester aanbriescht. De leeuwen brieschten ons aan.   poëem WNT
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.