Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANBROMMEN Volgend artikel: AANBRULLEN

AANBRUISEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: aanbruisen

onz. en bedr. zw. ww., met zijn en hebben: bruiste aan, is en heeft aangebruist. Door velen met ch geschreven: aanbruischen, doch zie bij BRUISEN. Uit Bruisen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anbrausen.
+I.  Onz. Hulpw. zijn. Aan in den zin van nadering (34, g). Bruisend naderen.
De vloed bruiste vernielend aan, en had weldra alles in eene zee herschapen. — Een wassend gety van golvende vlammen, fel aan 't blaaken, en by vlaagen aanbruischende over het smeulend Orkest,   STIJL, Lev. v. Punt, 74 .
Wy willen nu een oogst van vlooten aen zien bruissen,   ANTONIDES 1, 1 [1671].
Beschouwt het donkre zeil dat aanbruischt langs de baren,   BILD. 2, 431 [1810].
II.  Bedr. Hulpw. hebben. Aan in den zin van richting naar het doel (34, h). Van de zee, eenen stroom enz. Bruisen in de richting naar iemand of iets, bruisend als 't ware bedreigen.
Na nooden zonder tal en angsten zonder maat, Bruist de open zee hen aan, die hol en aaklig staat,   TOLLENS 5, 130 [1819].

Supplement bij AANBRUISEN

I.  Onz.
Trojanen … (komen) met hun beschilderde wapenen tegens hen aanbruisen,   VONDEL 5, 401 [1646].
Geen stercke waterstroom … Quam oit geweldiger aenbruisschen, over wallen En velt en ackers heen,   VONDEL 8, 322 [1660].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.