Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANDRIJVING Volgend artikel: AANDRINKEN
GTB Woordenboeken: MNW

AANDRINGEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,st.)

Modern lemma: aandringen

onz. en bedr. st. ww. der 1ste kl., met zijn en hebben: drong aan, is en heeft aangedrongen. Uit Dringen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. andringen.
+I.  Onzijdig.
+II.  Bedrijvend.
Afl. Aandrang, aandringer.

Supplement bij AANDRINGEN

I.  Onz. — 1)
Ick sie die Fransche knechten Blanck in haer harnas staen Si quamen daer aengedrongen veel blancker dan een ijs,   Antw. Liedb. 217 [ed. 1544]
 (zie ook COORNH., Odyss. 1, 49 a [1561]; O.-I. e. W.-I. Voyag. 1, 31 a [1598].
—  Vroeger ook van het aanbreken van den dag. Verg. OPDRINGEN, Onz. I, 2, b.
Den dagh quam niet andringen, Of ick gingh uyt mijn bed wel haestelijck op-springen,   W. D. HOOFT, Jan Saly 26 [1623].
Rijs op, den dag die komt aendringen,   KRUL, P. W. 3, 113 [1644].
—  Tegen iemand of iets aandringen.
Hy (worden) … soo gheweldigh esteken, Recht by sijn kamer-gangh …, Dat mit oorlof eseyt, … De matery teghen de Barbier quam andringen,   W. D. HOOFT, Jan Saly 22 [1623].
1.  bis) Minder eigenlijk van een stilstaande zaak. Met zijdelingschen druk op iets werken, aandrukken.
Diezelve raemen hebbe die vasticheijt, stivicheijt ende sterckte van de cassen daer se inne gewrocht zijn ende oock van het geheele blauwe steenwerck daertegens aendringende ende aensteunende,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 233 [± 1578].
2,.  a)
Tot datse met'er tijt, door listig aen te dringen, U kroon en scepter selfs sal weten af te dwingen,   CATS 1, 229 a [1622].
3.  Figuurlijk. Bewijsgronden aanvoeren. Niet meer in gebruik.
Soo spreekt'er Anna tusschen in, Ten goede van de reyne min … Hier tegens dringt dan Phyllis aen, En wil al vry wat ruymer gaen,   CATS 1, 244 b [1655].
+II.  Bedr. Niet meer in gebruik.
Afl. Aandringing (CATS 2, 22 a [1635] en CATS 2, 137 a [1635]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.